Socialezekerheidsrecht
Vovo pw. Bijstandsuitkering opgeschort en ingetrokken. Spoedeisend belang onbtreekt want inmiddels weer een…
Rechtbank Noord-Holland, 10 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10669 · Rechtbank Noord-Holland · 10 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbnho-2026-10669
Zaakgegevens
Op 10 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- HAA 26/3470
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:10669
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo pw. Bijstandsuitkering opgeschort en ingetrokken. Spoedeisend belang onbtreekt want inmiddels weer een voorschot toegekend na nieuwe aanvraag.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/3470 en 26/3700
proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit IJmuiden, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen
(gemachtigden: J. van der Worp en mr. Y. Abdellaoui).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de opschorting en de intrekking van de bijstand van verzoeker vanaf 11 juni 2026. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 12 juni 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker per 11 juni 2026 opgeschort. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en op 9 juli 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker per 11 juni 2026 ingetrokken. Tegen dit besluit heeft verzoeker eveneens bezwaar gemaakt en op 22 juli 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 10 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het in deze zaken over?
3. Verzoeker ontvangt sinds 6 november 2023 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Op 4 juni 2026 heeft het college verzoeker per brief laten weten te onderzoeken of zijn uitkering nog goed bij zijn situatie past. In dat kader vraagt het college verzoeker vóór 12 juni 2026 bankafschriften van zijn bankrekeningen over de periode 1 december 2025 tot en met 31 mei 2026 te overleggen.
Verzoeker heeft het college vervolgens gevraagd om een schriftelijke motivering waarin wordt uitgelegd waarom in dit geval informatie over een periode van zes maanden noodzakelijk wordt geacht. In een reactie van 9 juni 2026 heeft het college aangegeven dat de eerder toegepaste verlaging van de uitkering van verzoeker in december 2025 en januari 2026 aanleiding vormt om onderzoek te doen naar de financiële situatie van verzoeker in die periode en de wijze waarop verzoeker in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
Omdat verzoeker de gevraagde afschriften niet binnen de termijn heeft verstrekt, is het college met het besluit van 12 juni 2026 overgegaan tot opschorting van de bijstandsuitkering. In het opschortingsbesluit geeft het college verzoeker nogmaals een termijn om de gevraagde gegevens te overleggen, namelijk uiterlijk 26 juni 2026. Verzoeker heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt. Het college is daarom met het besluit van 16 juli 2026 overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering vanaf 11 juni 2026.
Wat vraagt verzoeker?
4. Verzoeker is het met de opschorting en de intrekking niet eens. Hij stelt dat het college de besluiten onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Daarnaast is de informatievraag disproportioneel en het besluit onevenredig, omdat de nadelige gevolgen van het besluit (het verlies van bestaanszekerheid) voor verzoeker extreem zijn. Ten slotte stelt verzoeker dat de opschorting onrechtmatig is omdat opschorting alleen mag als het huidige recht niet kan worden vastgesteld. Dit terwijl het college onderzoek doet naar een periode van zes maanden geleden.
Gelet op het voorgaande verzoekt verzoeker de voorzieningenrechter om de besluiten van 12 juni en 16 juli 2026 te schorsen en het college op te dragen de uitkering weer te hervatten, inclusief nabetaling vanaf 11 juni 2026.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
Verzoeker voert in dat kader aan dat hij vanaf 11 juni 2026 tot begin augustus 2026 geen uitkering heeft gehad en dat hij te weinig geld heeft om van te leven.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 17 juli 2026 een nieuwe aanvraag voor bijstandsuitkering heeft ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2026 is aan verzoeker een voorschot van € 652,49 uitgekeerd. Daarbij is vermeld dat verzoeker een voorschot krijgt totdat zijn (nieuwe) aanvraag is beoordeeld. Ter zitting heeft het college bevestigd dat het betaalde voorschot ziet op de periode 17 tot en met 31 juli 2026. Het college verwacht deze beslissing half augustus te nemen.
De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verzoeker over de periode 11 juni tot en met 17 juli 2026 geen bijstandsuitkering heeft ontvangen. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker nog zijn normale bijstandsuitkering ontvangen (van € 1.331,42). Verder heeft verzoeker op 29 mei 2026 vakantiegeld ontvangen (van € 781,92) en is zijn huur- en zorgtoeslag over juni en juli op gebruikelijke wijze uitbetaald. Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker zijn standpunt, dat hij in financiële problemen komt zonder de uitkering over de opgeschorte periode, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zodat niet is gebleken dat hij in ernstige financiële nood is geraakt.
Gelet op al het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening vanwege het ontbreken van het spoedeisend belang.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het college de bijstandsuitkering mocht opschorten danwel beëindigen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken en ingenomen standpunten niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: