Socialezekerheidsrecht
Weigering toekenning vervoersvoorziening. Mondelinge uitspraak. Toewijzing voorlopige voorziening. De…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10037 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbzwb-2026-10037
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 26/5165
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10037
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Weigering toekenning vervoersvoorziening. Mondelinge uitspraak. Toewijzing voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft vraagtekens bij de weigering een vervoersvoorziening toe te kennen. Het belang van verzoekster weegt zwaarder dan de belangen van het college.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/5165 JW VV
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 15 oktober 2026 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena (het college), verweerder,
gemachtigde: [gemachtigde 2] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag om een vervoersvoorziening op grond van de Jeugdwet (Jw) die namens verzoekster ( [verzoekster] ) is ingediend. [verzoekster] is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening toe en zal bepalen dat het college aan [verzoekster] vanaf woensdag 28 oktober een vervoersvoorziening moet toekennen van en naar [plaats 2] , tot 6 weken na het nog te nemen besluit op bezwaar. Ook moet het college het griffierecht vergoeden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Namens [verzoekster] is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 augustus 2026 van het college over toekenning van begeleiding (midden en groep zwaar) en generalistische basis GGZ. Daarna heeft het college het besluit van 25 augustus 2026 met het besluit van
21 september 2026 herzien en daarbij de generalistische basis GGZ niet langer opgenomen en met het besluit van 28 september 2026 een vervoersvoorziening geweigerd.
De voorzieningenrechter is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter beschouwt dat verzoek als (uitsluitend) te zijn gericht tegen het besluit van 28 september 2026 (bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 oktober 2026. Daar zijn verschenen: de gemachtigde van [verzoekster] , de moeder van [verzoekster] [de moeder] en de gemachtigde van het college.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
De voorzieningenrechter dient in de voorlopige voorziening drie elementen te beoordelen: of er een spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening, of de verwachting is dat de weigering om een vervoersvoorziening toe te kennen in bezwaar in stand blijft en er dient eventueel een belangenafweging te worden verricht.
De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de spoedeisendheid als volgt.
Namens [verzoekster] is aangevoerd dat zij zonder de vervoersvoorziening niet naar de jeugdhulplocatie kan komen.
Het college zegt dat de spoed ontbreekt, omdat niet aannemelijk is dat de jeugdhulp zonder vervoer niet zal plaatsvinden en dat zonder vervoersvoorziening een noodsituatie ontstaat.
De vraag of de vervoersvoorziening nodig is om naar de jeugdhulplocatie te gaan of dat er andere mogelijkheden zijn, is het aspect waarover partijen van opvatting verschillen. Verder blijkt uit het onderzoeksverslag voldoende wat de belangen zijn van [verzoekster] om de jeugdhulp nog langer te ontvangen. Gelet op de relatief korte looptijd van de indicatie kan niet worden gevergd dat het nog te nemen besluit op bezwaar wordt afgewacht. De voorzieningenrechter neemt daarom een spoedeisend belang aan.
Over de afwijzing van de vervoersvoorziening overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat bezwaar is gemaakt en een voorlopige voorziening is ingediend tegen het besluit van 25 augustus 2026. Er zijn daarna echter nog twee besluiten genomen. Op grond van de wet (artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht) moeten die besluiten worden meegenomen in de bezwaarprocedure. Niet is gebleken dat het college daarvoor de juiste stappen heeft gezet.
Verder heeft de voorzieningenrechter twijfels bij de uitleg die het college geeft aan artikel 3 van de Beleidsregels. Het college wijst de vervoersvoorziening af omdat geen sprake is van minimaal 8 contactmomenten en dus geen bovengebruikelijke zorg. Volgens de tekst van artikel 3, onder d, van de Beleidsregels wordt een onderscheid gemaakt tussen ouders die niet in staat zijn het vervoer te organiseren, of wel in staat zijn maar er sprake is van bovengebruikelijke zorg. De uitleg van het college ter zitting dat alleen het aantal contactmomenten relevant is, verdraagt zich niet met de tekst van artikel 3, onder d, van de Beleidsregels. Er moet dus allereerst worden gekeken naar de vraag of ouders het vervoer zelf kunnen organiseren. Dat is in het besluit niet gebeurd.
Het college stelt thans dat niet aannemelijk is gemaakt dat de ouders van [verzoekster] het vervoer niet zelf kunnen organiseren. In het onderzoeksverslag jeugd van augustus 2026 staat dat de ouders hebben aangegeven dat zij, de grootouders en het netwerk het vervoer niet structureel kunnen overnemen. Uit het verslag blijkt niet dat daar nadere vragen over zijn gesteld. De voorzieningenrechter acht het onvoldoende onderzocht en gemotiveerd, als het college nu stelt dat de ouders niet aannemelijk hebben gemaakt dat er geen vervoersmogelijkheden zijn. Temeer omdat uit de aard van de indicatie volgt dat [verzoekster] de opvanglocatie structureel moet kunnen bereiken en namens [verzoekster] is aangevoerd dat dat nu juist het probleem is.
Ook speelt een rol dat er eerder wel een vervoersvoorziening is toegekend. Het college heeft gelijk dat iedere aanvraag opnieuw beoordeeld moet worden. Dat er eerder vervoer is toegekend, betekent dan ook niet automatisch dat bij een volgende aanvraag ook weer vervoer moet worden toegekend. De voorzieningenrechter vindt echter van belang dat bij de vorige toekenning ook niet was voldaan aan de 8 contactmomenten per maand en er vanwege de bijzonderheden toch een voorziening is toegekend. Het college heeft daarbij klaarblijkelijk gebruik gemaakt van artikel 8 van de Beleidsregels. Namens [verzoekster] is gesteld dat, en dat is door het college op zitting ook erkend, de situatie niet gewijzigd is. Het college heeft niet uitgelegd waarom er deze keer geen reden is om artikel 8 van de Beleidsregels toe te passen.
De voorzieningenrechter heeft dus vraagtekens bij de weigering een vervoersvoorziening toe te kennen.
Tegenover het belang van het college om geen vervoersvoorziening toe te kennen als daar geen recht op bestaat, staat het belang van [verzoekster] om vervoerd te worden naar de locatie waar zij jeugdhulp ontvangt. De ouders hebben voldoende toegelicht dat [verzoekster] zonder vervoer de jeugdhulplocatie niet kan bereiken, of niet altijd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [verzoekster] zwaarder dient te wegen. Uit het onderzoeksverslag blijkt immers dat het voor [verzoekster] belangrijk is dat de hulp zonder onderbrekingen wordt voortgezet. En de looptijd van de indicatie is relatief kort. Het is dus van belang dat er zekerheid is dat [verzoekster] iedere woensdagmiddag naar de jeugdhulp kan. Met de huidige stand van zaken vraagt dat om toewijzing van de vervoersvoorziening.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
-
bepaalt dat het college aan [verzoekster] vanaf woensdag 28 oktober 2026 tot 6 weken na het nog te nemen besluit op bezwaar een vervoersvoorziening van en naar [plaats 2] verstrekt;
-
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 54,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 15 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.