Socialezekerheidsrecht

Participatiewet. Intrekking en terugvordering, beëindiging (bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, geen…

Rechtbank Noord-Holland, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
HAA 25/2380
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:9852
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Participatiewet. Intrekking en terugvordering, beëindiging (bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, geen Awb-besluit) en boete.

25/2381: een verzoek van eiseres om de bijstand in te trekken is geen (eenzijdige) rechtshandeling als bedoeld in artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is sprake van een aanvraag abi de artikelen 4:1 en 4:2 van de Awb om een besluit te nemen abi artikel 1:3, lid 3, van de Awb. Met de beëindiging van de uitkering is een besluit genomen, gericht op rechtsgevolg.

25/2380, 25/2381 en 25/2976: de heldere, ondubbelzinnige en ondertekende verklaring van eiseres ten overstaan van de toezichthouder, in aanwezigheid van haar (ex)partner, waarop niet is teruggekomen is voldoende om te concluderen dat eiseres haar hoofdverblijf had buiten de gemeente bij haar (ex)partner.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/2380, HAA 25/2381 en HAA 25/2976


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaken tussen


[eiseres] , uit Bovenkarspel, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Velthorst, voor deze mr. T.S. Brinkman),

en

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, WerkSaam

(gemachtigde: H. Mentink).

Inleiding

Zaaknummer 25/2381

1. Met het besluit van 9 januari 2025 heeft WerkSaam de uitkering van eiseres met ingang van 9 januari 2025 beëindigd. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres heeft WerkSaam het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit (het bestreden besluit I).

Zaaknummer 25/2380

2. Met het besluit van 20 januari 2025 heeft WerkSaam de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 april 2024 tot en met 9 januari 2025 ingetrokken en een bedrag van € 6.802,02 (bruto), dat zij over de periode 1 april 2024 tot en met 31 oktober 2024 ten onrechte ontving, teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 is de hoogte van de terugvordering gewijzigd en vastgesteld op € 5.804,54 (het bestreden besluit II).

Zaaknummer 25/2976

3. Met het besluit van 28 februari 2025 heeft WerkSaam een boete opgelegd van

€ 3.128,36. Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 op het bezwaar van eiseres heeft WerkSaam dit besluit gehandhaafd met dien verstande dat de hoogte van de boete is verlaagd naar € 2.669,85 (het bestreden besluit III).

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

5. WerkSaam heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft de zaken op de zitting van 30 juli 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. T.S. Brinkman, als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van WerkSaam.

6.1.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Vaststaande feiten

7. De rechtbank stelt in het licht van de totstandkoming van de bestreden besluiten de volgende niet in geschil zijnde feiten vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.

7.1.

In het Rapport Rechtmatigheidsonderzoek Handhaving van 18 december 2024 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Aanleiding onderzoek

Via de gemeente Amsterdam kregen wij de volgende melding binnen;

Goedemiddag,

Gisteren hebben wij een ondermijningsactie samen met de politie een adres in Amsterdam bezocht en daar troffen wij een vrouw aan en in het gesprek gaf zij o,a. aan:

De vrouw zegt dat hier nu 3 à 4 maanden woont samen met haar vriend Zijn broertje woont hier ook en slaapt op de bank in de woonkamer.

De vrouw zegt dat zij niet ingeschreven staat op dit adres maar bij haar moeder in Enkhuizen, dit omdat zij ook een bijstandsuitkering krijgt van die gemeente.

De vrouw zegt dat zij tot kort nog twee dagen in de week bij haar moeder in Enkhuizen sliep en 5 dagen hier.

Verder zegt zij desgevraagd dat zij op het huurcontract staat met haar vriend maar dat het allemaal overlaat aan haar vriend die ook de huur van ongeveer €1900 betaalt.

Ik vraag de vrouw waarom zij ook op het huurcontract staat als zij er niet zelf woont op papier en ook niet ingeschreven staat. Ik zie de vrouw hierop geïrriteerd worden en zeggen dat dit toch wel haar privacy aangaat.

De vrouw laat een op haar naam afgegeven Nederlands paspoort met nummer [nummer] zien op haar telefoondisplay. Ik zie hierop staan [naam 1] , geb. datum [datum] . Ik herken de vrouw van de foto in het paspoort.

De woning heeft een luxe inrichting, voor ons is het interessant hoe het huurcontract geregeld is en waarom zij er ook op staat en of de verhuurder wel de inkomstencheck van beide huurders gedaan heeft. Ook niet geheel onbelangrijk waarom staat zij er niet ingeschreven? De vrouw rijdt in een [merk auto] , kenteken bekend bij de politie, en het adres is [adres] te Amsterdam, betreft een woning in het duurdere woonsegment met onderliggende parkeergarage.

7.2.

In het gespreksverslag van 16 december 2024, met eiseres, staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Verslag

Ik rapporteur (…), werkzaam als Handhaver/toezichthouder bij GR Werksaam Westfriesland (…).

Op 16-12-2024 (…) sprak ik met:

Naam belanghebbende: [eiseres]

Belanghebbende is tijdens het gesprek bijgestaan door: [naam 2]

Ex-partner

Ik wil eigenlijk toch iets vertellen.

Ik ben dus bijna altijd in Amsterdam. Ik ben dus veelal in Amsterdam sinds 5 maanden.

Vanaf april/mei 2024 ben ik voornamelijk in Amsterdam en eigenlijk niet meer in Bovenkarspel.

Ik wil graag mijn uitkering opzeggen. Aangezien ik nog steeds in Amsterdam zit.

Ondertekening

 Deze verklaring geeft de inhoud van onze woorden goed weer.

 Wij ondertekenen deze verklaring vrijwillig. U heeft ons niet onder druk gezet.

Dit document is op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt (…).

7.3.

In de Verklaring verzoek intrekken bijstandsuitkering van 16 december 2024 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

Ik wil graag mijn bijstandsuitkering opzeggen aangezien ik voornamelijk in Amsterdam verblijf.

 De beëindiging geen gevolgen heeft ten aanzien van mijn rechten zoals het indienen van een bezwaarschrift.

Beoordeling

Zaaknummer 25/2381

8. WerkSaam heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in haar verklaring op 16 december 2024 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft aangegeven afstand te doen van het recht op een bijstandsuitkering. Dit is een eenzijdige rechtshandeling. De reactie daarop van WerkSaam is slechts een bevestiging en geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8.1.

De rechtbank volgt WerkSaam niet in haar standpunt. Ten eerste is een verzoek om de bijstand in te trekken geen (eenzijdige) rechtshandeling als bedoeld in artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (vgl. CRvB 19 april 2011, CRVB:2011:BQ3023, r.o. 4.3.). Ten tweede is sprake van een aanvraag die voldoet aan de eisen genoemd in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Awb. In de aanvraag wordt aan WerkSaam het verzoek gedaan om een besluit te nemen, als bedoeld in artikel 1:3, lid 3, van de Awb. Met de beëindiging van de uitkering van eiseres heeft WerkSaam een besluit genomen, gericht op een rechtsgevolg, namelijk de beëindiging van de uitkering.

8.2.

De conclusie is dat WerkSaam eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. Het beroep in deze zaak is daarom gegrond. Dit leidt echter niet tot het gevolg dat eiseres voor ogen heeft, omdat naar het oordeel van de rechtbank het bezwaar ongegrond had moeten worden verklaard. De uitkering is namelijk terecht beëindigd door WerkSaam.

Zaaknummer 25/2381, 25/2380 en 25/2976

9. Eiseres stelt in alle zaken het volgende. De onderliggende stukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat eiseres haar hoofdverblijf heeft in Amsterdam in de te beoordelen periode. Daarom is de bijstandsuitkering ten onrechte beëindigd. Eiseres heeft de inlichtingenplicht ook niet geschonden. Verder is het terugvorderingsbedrag te hoog en is de boete ten onrechte opgelegd.

9.1.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stellingen. Eiseres heeft ten overstaan van de toezichthouder, in aanwezigheid van haar (ex)partner, een heldere, ondubbelzinnige en ondertekende verklaring afgelegd, waarop eiseres in latere instantie ook niet op is teruggekomen. Deze verklaring acht de rechtbank dan ook meer dan voldoende om te concluderen dat eiseres in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had in de woning van haar (ex)partner in Amsterdam. Niet valt in te zien dat WerkSaam desondanks aanvullend onderzoek heeft moeten verrichten naar het hoofdverblijf van eiseres, nu daarvoor, gelet op genoemde verklaring, geen enkele aanleiding voor was.

9.2.

Ambtshalve overweegt de rechtbank nog dat het gespreksverslag blijkbaar ‘op ambtseed/ambtsbelofte’ is opgemaakt door een toezichthouder. Niet blijkt dat de betreffende toezichthouder tevens (buitengewoon) opsporingsambtenaar is in de zin van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), terwijl alleen opsporingsambtenaren op ambtseed opgemaakte processen-verbaal kunnen opmaken (vgl. artikel 153 Sv). Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit echter niet dat daarom minder waarde gehecht zou moeten worden aan de inhoud van de door eiseres afgelegde verklaring en het verzoek tot intrekking van de uitkering.

Conclusie

10. De beroepsgronden in de zaken 25/2380 en 25/2976 falen. Het beroep in de zaak 25/2381 is gegrond en de rechtbank vernietigt dit besluit. De rechtbank zal echter haar uitspraak in de plaats laten treden van het bestreden besluit in laatstgenoemde zaak en zal bepalen dat het bezwaar ongegrond is.

11. Omdat het beroep in de zaak 25/2381 gegrond is dient WerkSaam het griffierecht aan eiseres te vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten in beroep.

WerkSaam dient deze vergoeding te betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:

Zaaknummer 25/2381

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 maart 2025;

- bepaalt dat het bezwaar ongegrond is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat WerkSaam het griffierecht van € 53,00 aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt WerkSaam tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.

Zaaknummers 25/2381 en 25/2976

- verklaart de beroepen gericht tegen de bestreden besluiten van 31 maart 2025 en 19 mei 2025 ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026 door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.