Aanbestedingsrecht

Aanbesteding. Concurrentiegerichte dialoog. Inschrijving door (aanvankelijk winnende) inschrijver terecht…

Rechtbank Noord-Holland, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over aanbestedingsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/380938
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. O. van der Pol, mr. I. van der Hoeven
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:13621
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanbesteding. Concurrentiegerichte dialoog. Inschrijving door (aanvankelijk winnende) inschrijver terecht ongeldig verklaard na klacht van andere inschrijver. Een ongeldige inschrijving moet terzijde gelegd worden. Iedere andere beslissing zou immers juist in strijd met het aanbestedingsrecht zijn.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/380938 / KG ZA 26-467

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2026

in de zaak van

[A] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

hierna te noemen: [A] ,

advocaten: mr. N.A.D. Groot en mr. M.A.M. Snoek,

tegen

GEMEENTE HAARLEMMERMEER,

te Hoofddorp,

gedaagde partij in de hoofdzaak, verweerster in het incident,

hierna te noemen: de Gemeente

advocaat: mr. O. van der Pol,

en

[B] B.V.

te [plaats]

eisende partij in het incident, tussenkomende partij in de hoofdzaak,

hierna te noemen: [B]

advocaat: mr. I. van der Hoeven.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de uitgebrachte dagvaarding van 6 augustus 2026 met 12 producties

- de conclusie van antwoord van de Gemeente

- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van [B]

- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de spreekaantekeningen van mr. Groot

- de pleitnota van mr. Van der Hoeven.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De Gemeente heeft een Europese ‘Aanbesteding Ontwikkeling Locatie voormalige MAVO te Zwanenburg’ georganiseerd in de vorm van een concurrentiegerichte dialoog met een gunningscriterium op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI), te bepalen door de beste prijs-kwaliteitverhouding (hierna: de Aanbesteding).

2.2.

In de Selectieleidraad Concurrentiegerichte Dialoog van 14 januari 2026 (hierna: de Selectieleidraad) is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

1.2

Locatie voormalige MAVO te Zwanenburg

(…)

In deze procedure verkoopt de gemeente de Locatie voormalige MAVO aan een ontwikkelaar die, conform algemeen geldende normen en de specifiek voor deze locatie gestelde randvoorwaarden, de locatie ontwikkelt en zorg draagt voor de verkoop of verhuur van de te realiseren woningen. In deze selectieleidraad zijn de eisen weergegeven die de gemeente stelt aan bedrijven om voor de ontwikkeling in aanmerking te komen. De grond wordt bouwrijp geleverd, de ontwikkelaar maakt woonrijp.

(…)

1.3.2

Randvoorwaarden ten aanzien van de ontwikkeling

Naast wettelijke normen, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), gelden voor het plangebied onderstaande randvoorwaarden.

1.3.2.1 Bouwvlak

Het in het kavelpaspoort weergegeven oranje blok vormt het maximale bouwvlak. Het gebouw staat centraal op de kavel en wordt aan drie zijden omringd door een tuin met veel groen. Hierdoor komt het voldoende los te staan van het Dorpshuis. De terreininrichting houdt aan de zijde van het Dorpshuis ruimte vrij voor een vluchtroute. Het bouwvlak is afgestemd op de hoge bomen om zo de lichtinval in de woningen te borgen. De bergingen kunnen worden opgelost op de begane grond of in de woning. Op de begane grond dient in een gezamenlijke fietsenstalling (inpandig of in de tuin) te worden voorzien.

1.3.2.2 Bouwhoogte en volume-opbouw

Het maximale aantal bouwlagen is voor het grootste deel van het bouwvlak vier. De bovenste laag is -minimaal 2m - terugliggend uitgevoerd. De maximale bouwhoogte is 14 m. Een kleiner deel van het bouwvlak is bestemd voor maximaal 3 bouwlagen en heeft een maximale bouwhoogte van 11m. De volume-opbouw is eenvoudig en wordt niet onderbroken door private buitenruimtes. Deze zijn hoofdzakelijk inpandig, balkons mogen maximaal 1m uit de gevel steken.

(…)

1.3.2.6 Fietsen en parkeren

Het fietsparkeren dient in een gezamenlijke fietsenstalling plaats te vinden. Per wooneenheid worden twee stallingsplaatsen in de stalling gereserveerd. De stalling kan in het bouwvlak van het gebouw worden opgenomen of als bijgebouw in het westen van de tuin.

Het parkeren vindt plaats op het terrein achter het gebouw. De gemeentelijke parkeernormen zijn leidend; voor 18 (middel-)dure appartementen op deze locatie schrijft de norm voor dat 28 parkeerplaatsen op het terrein gerealiseerd moeten worden. Omdat door de ontwikkeling van de kavel 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen te vervallen, dienen die plaatsen op het terrein gecompenseerd te worden. In totaal moeten dus 30 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

(…)

1.4

Wat wordt tijdens de dialoog besproken?

Op 24 februari 2026 vindt met de geselecteerde gegadigden een dialoogronde plaats. De gemeente wil tijdens de dialoog met de geselecteerde partijen samen onderzoeken op welke wijze de ambities en randvoorwaarden van het kavelpaspoort geoptimaliseerd kunnen worden om tot een financieel haalbaar programma voor de ontwikkeling van de Locatie voormalige MAVO. Na afronding van de dialoogronde zal de gemeente, op basis van het resultaat van de dialogen, het eisen- en wensenpakket voor de ontwikkelopgave definitief vaststellen (zie ook paragraaf 2.2). Het minimale grondbod is niet onderhandelbaar tijdens de dialoogronde.

(…)

2.7.3

Blijvend voldoen

Voor gunning van de ontwikkeling komen alleen gegadigden in aanmerking die zowel op het tijdstip van de aanvraag tot deelneming als op de dag van de gunning voldoen aan de eisen die in de aanbestedingsdocumenten zijn vermeld.

(…)

2.3.

Tijdens de dialoogronde op 24 februari 2026 zijn geen vragen gesteld over de mogelijkheid van (deels) ondergronds parkeren.

2.4.

In het op de Aanbesteding van toepassing zijnde ‘Kavelpaspoort Locatie voormalige MAVO – Zwanenburg’ van 4 maart 2026 (hierna: het Kavelpaspoort’) is onder meer het volgende opgenomen:

[afbeelding niet beschikbaar]

(…)

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

(…)

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

2.5.

In de Inschrijvingsleidraad Concurrentiegerichte Dialoog van 16 maart 2026 (hierna: de Inschrijvingsleidraad) is onder meer het volgende opgenomen:

(…)

1.2

Resultaat van de dialoog

Op 24 februari 2026 heeft met drie geselecteerde gegadigden een dialoogronde plaatsgevonden. Naar aanleiding van de dialoogronde heeft de gemeente de randvoorwaarden voor de ontwikkeling definitief gemaakt en de definitieve versie van het kavelpaspoort vastgesteld, die beschikbaar is via TenderNed. Onderstaande besluiten zijn definitief geworden naar aanleiding van de dialoogronde:

(…)

• de kavel blijft privéterrein en wordt niet aan de gemeente als openbare ruimte terug geleverd. Het terrein dient overdag publiek toegankelijk te zijn voor voetgangers. Het terrein is niet openbaar toegankelijk voor auto’s, slechts bewoners en hun bezoekers kunnen op het aan de westzijde van het gebouw gelegen parkeerterrein parkeren

• zowel de middenspanningsruimte (MSR) als het fietsparkeren mogen - mits zorgvuldig ingepast - buiten het bouwvlak gerealiseerd worden. De voorkeur van de gemeente gaat uit naar inpandige realisatie

(…)

1.3

Randvoorwaarden voor de ontwikkeling

Naast wettelijke normen, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), gelden voor het plangebied onderstaande randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn - waar nodig – ten opzichte van de Selectieleidraad aangepast aan de resultaten van de dialoogronde.

(…)

1.3.2

Bouwhoogte en volume-opbouw

Het maximale aantal bouwlagen is voor het grootste deel van het bouwvlak vier. De maximale bouwhoogte is 14m. Een kleiner deel van het bouwvlak is bestemd voor maximaal 3 bouwlagen en heeft een maximale bouwhoogte van 11m. De volume-opbouw is eenvoudig en wordt niet onderbroken door private buitenruimtes. Deze zijn hoofdzakelijk inpandig, balkons (en privéterrassen op de begane grond) mogen maximaal 1m uit de gevel steken.

(…)

1.3.6

Fietsen en parkeren

Het fietsparkeren dient in een gezamenlijke fietsenstalling plaats te vinden. Per wooneenheid worden twee stallingsplaatsen in de stalling gereserveerd. De stalling kan in het bouwvlak van het gebouw worden opgenomen of als bijgebouw in het westen van de tuin.

Het parkeren vindt plaats op het terrein achter het gebouw. De gemeentelijke parkeernormen zijn leidend; voor 18 (middel-)dure appartementen op deze locatie schrijft de norm voor dat 28 parkeerplaatsen op het terrein gerealiseerd moeten worden. Als meer dan 18 woningen gerealiseerd worden, zal dus met een groter aantal parkeerplaatsen rekening gehouden moeten worden. Omdat door de ontwikkeling van de kavel 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen te vervallen, dienen die 2 plaatsen op het terrein gecompenseerd te worden. Wel mogen voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen 4 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden meegerekend.

(…)

2.6.3

Blijvend voldoen

Voor gunning van de ontwikkeling komen alleen gegadigden in aanmerking die zowel op het tijdstip van de inschrijving als op de dag van de gunning voldoen aan de eisen die in de aanbestedingsdocumenten zijn vermeld.

(…)

2.7

Overige voorwaarden

Voorts gelden voor deze aanbesteding de overige voorwaarden:

(…)

• het aanbieden van varianten op het gevraagde is niet toegestaan

(…)

2.6.

Op 10 juni 2026 hebben [A] en [B] ingeschreven op de Aanbesteding.

2.7.

Op 10 juli 2026 heeft de Gemeente via TenderNed onder meer het volgende aan [A] bericht:

(…)

De gemeente heeft besloten het gunningsvoornemen uit te spreken ten gunste van uw onderneming, [A] BV. U bent als winnende inschrijver beoordeeld met een puntentotaal van 90 van de 100 te behalen punten. Een overzicht van de door alle deelnemers behaalde scores vindt u als bijlage bij dit bericht.

Met betrekking tot de nieuwe tekening van het terrein die wij op 1 juli 2026 van u ontvingen, wijzen wij u op het volgende. Zoals in Hoofdstuk 4 van de Inschrijvingsleidraad gesteld, houdt de beoordeling van de winnende inschrijving door het beoordelingsteam niet in dat het ontwerp aan alle gestelde eisen voldoet of binnen de gestelde randvoorwaarden uitvoerbaar is. Alleen kennelijke strijd met gestelde eisen kan in de beoordelingsfase worden vastgesteld.

Meerkosten als gevolg van het tijdens de ontwikkeling moeten aanpassen van het ontwerp of de werkzaamheden aan de overeengekomen voorwaarden, komen voor rekening en risico van de ontwikkelaar. Dat wil zeggen dat de gemeente geen medeverantwoordelijkheid aanvaardt voor het al dan niet kunnen handhaven van de linde (boom nr. 30) ter plaatse van ingang van de ondergrondse parkeergarage. U zult als ontwikkelaar, naast wellicht andere elementen uit uw ontwerp, onderzoek moeten doen naar de consequenties van uw plan voor de linde en daar tijdens de procedure voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor eigen rekening en risico naar moeten handelen.

(…)

[afbeelding niet beschikbaar]

(…)

[afbeelding niet beschikbaar]

(…)

[afbeelding niet beschikbaar]

2.8.

Op 16 juli 2026 heeft de Gemeente onder meer het volgende aan [A] bericht:

(…)

Op 10 juli 2026 heeft de gemeente het gunningsvoornemen aan uw onderneming bekend gemaakt. Op 15 juli 2026 heeft [B] BV, de inschrijver die op de 2e plaats geëindigd is, de gemeente er via haar advocaat op gewezen dat de door u ingediende inschrijving op een aantal onderdelen niet aan de door de gemeente gestelde randvoorwaarden voldoet.

Het belangrijkste bezwaar van [B] BV luidt dat in uw inschrijving het autoparkeren voor het grootste deel is opgelost in een halfverdiepte parkeergarage onder het gebouw. Niet alleen schrijft het Kavelpaspoort voor dat het parkeren aan de achterzijde van het gebouw plaatsvindt, ook het aantal bouwlagen is door de halfverdiepte garage niet in overeenstemming met de in het Kavelpaspoort gestelde eis aan het maximale aantal bouwlagen.

De gemeente heeft geconstateerd dat zulks inderdaad het geval is. In het Kavelpaspoort zijn zowel het autoparkeren op het terrein achter het gebouw als het toestaan van maximaal 4 bouwlagen, en aan de noordzijde 3 bouwlagen, als eisen geformuleerd. Tijdens de beoordelingsprocedure is dat door de gemeente over het hoofd gezien. De consequentie van het niet voldoen aan deze eisen is dat uw inschrijving alsnog als ongeldig terzijde gelegd wordt en niet voor gunning in aanmerking komt.

De gemeente heeft daarom besloten het gunningsvoornemen aan uw onderneming in te trekken en het voornemen tot gunning opnieuw uit te spreken ten gunste van [B] BV.

(…)

2.9.

Op 17 juli 2026 heeft [A] onder meer het volgende aan de Gemeente geschreven:

(…)

De gecorrigeerde gunningsbeslissing berust op een uitleg van het kavelpaspoort die 1. niet in de aanbestedingsstukken is te vinden, 2. door uw eigen deskundige beoordelingsteam – blijkens het scoredocument – niet is gehanteerd, en 3. feitelijk onjuist is toegepast: het merendeel van de parkeerplaatsen (16 van 31) liggen op het achterterrein.

Nergens in de stukken is bepaald dat een halfverdiept souterrain als bouwlaag meetelt – dat is ook in strijd met de vaste planologische betekenis (bevestigd door de Raad van State, uitspraak 201101505/1/H1) telt een souterrain tot ~1,2 m boven peil níet als bouwlaag — onze garage steekt volgens doorsnede B-B ca. 1,0 m boven maaiveld. Ons ontwerp blijft binnen de door u zelf gestelde hoogtematen van 14 respectievelijk 11 meter.

Een inschrijving mag slechts ongeldig worden verklaard wegens strijd met eisen die voor alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers eenduidig zijn. Door onder druk van een afgewezen inschrijver achteraf een nieuwe eis te introduceren, handelt u in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel.

Wij treden graag met u in overleg waarbij wij er van uit gaan dat u de beslissing van 16 juli intrekt en het gunningsvoornemen van 10 juli te handhaaft, bij gebreke waarvan wij de voorzieningenrechter zullen adiëren.

(…)

2.10.

Op 23 juli 2026 heeft de Gemeente via TenderNed onder meer het volgende aan [A] bericht:

(…)

Hoewel wij het zeer betreuren dat wij als beoordelingsteam onze eigen eis over het hoofd gezien hebben, onderschrijven wij niet uw redenering dat het hier zou gaan om een nieuwe eis die pas na het uitspreken van het gunningsvoornemen geïntroduceerd zou zijn.

In het Kavelpaspoort is in Deel B: Bouwregels de zin opgenomen ‘Het parkeren vindt plaats op het achterterrein’. Voorts is op de tekening op blz. 3 van het Kavelpaspoort een voorbeeld van een terreininrichting weergegeven die in overeenstemming is met de gestelde eisen. In de Inschrijvingsleidraad staat in par. 1.3.6: ‘Het parkeren vindt plaats achter het gebouw.’ Nu daarover zowel in de dialoogronde als in de Nota van Inlichtingen geen verduidelijking is gevraagd, dient deze eis letterlijk te worden opgevat. Dat betekent dat u er niet vanuit had mogen gaan dat er ook elders dan achter het gebouw geparkeerd mag worden.

Als tijdens de dialoog- of de inlichtingenfase door een of meer inschrijvers aan de orde was gesteld of het parkeren ook deels onder het gebouw gesitueerd mocht worden had de gemeente dat onderzocht en aan alle inschrijvers de uitleg van de - alsdan wellicht aangepaste - norm bekend gemaakt. Maar dat is hier niet gebeurd. Daardoor is in de aanbestedingsstukken geen enkel aanknopingspunt te vinden op basis waarvan u mocht concluderen dat het parkeren ook anders kon worden gerealiseerd dan de gestelde eis voorschrijft.

Wij handhaven ons standpunt dat uw inschrijving als ongeldig terzijde gelegd had moeten worden en betreuren het, zoals gezegd, zeer dat wij dat niet direct bij de toetsing aan de gestelde eisen hebben vastgesteld. Het spijt ons u niet anders te kunnen berichten.

(…)

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Primair :

I. de Gemeente te verbieden de opdracht te gunnen aan, dan wel de koop- en realisatieovereenkomst te sluiten met, [B] B.V., dan wel enige andere partij dan [A] ;

II. de Gemeente te gebieden de Litigieuze Gunningsbeslissing (gunningsbeslissing d.d. 16 juli 2026), gehandhaafd bij bericht van 23 juli 2026, waarbij het gunningsvoornemen van 10 juli 2026 ten gunste van [A] is ingetrokken, in te trekken;

III. te bepalen dat, voor zover de Gemeente de opdracht nog wenst te gunnen, zij deze uitsluitend mag gunnen aan [A]

Subsidiair en slechts voor zover de vorderingen onder I tot en met III worden afgewezen :

IV. de Gemeente te gebieden de Aanbestedingsprocedure (TenderNed-kenmerk: 565891) in te trekken;

V. te bepalen dat, voor zover de Gemeente de opdracht nog wenst te gunnen, zij daartoe dient over te gaan tot heraanbesteding van de opdracht, met inachtneming van dit vonnis;

In alle gevallen :

VI. de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en, voor het geval dat voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten en de kosten voor betekening.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [A] – samengevat – ten grondslag dat haar inschrijving binnen de randvoorwaarden van de Gemeente past, omdat de door [A] gekozen parkeeroplossing grotendeels achter het gebouw en dus op het achterterrein zelf is ingepast, terwijl het overige deel halfverdiept onder het gebouw is gesitueerd. De voorgeschreven bouwhoogte wordt nergens overschreden en het begrip ‘bouwlaag’ is nergens gedefinieerd. Bovendien laten de aanbestedingsstukken (planologische) ruimte voor aanpassingen. Ook is de inschrijving van [A] de economisch meest voordelige inschrijving, zodat [A] een geldige inschrijving heeft gedaan en de Gemeente die op basis van de aanbestedingsstukken niet ongeldig had mogen verklaren.

3.3.

Subsidiair stelt [A] zich op het standpunt dat de aanbestedingsstukken geen eenduidig kader bieden, omdat de bouwvorm daarin niet is geregeld. Indien het eigen, ter zake kundige en met de toepassing van de aanbestedingsstukken belaste beoordelingsteam van de Gemeente zelf de gestelde randvoorwaarden op dit punt niet, althans niet zonder nadere reflectie na een klacht van een derde, kon doorgronden, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver dat wel had moeten kunnen, aldus nog steeds [A] .

3.4.

De Gemeente voert tot haar verweer – kort gezegd – primair aan dat zij de inschrijving van [A] terecht terzijde heeft gelegd, omdat deze niet voldeed aan de eisen die in de aanbesteding, en meer in het bijzonder in het Kavelpaspoort en de Inschrijvingsleidraad zijn gesteld. De ongeldigverklaring van de inschrijving van [A] was daarmee terecht, evenals de gunning van de aanbesteding aan [B] , aldus de Gemeente.

3.5.

[B] concludeert als tussenkomende partij tot afwijzing van de vorderingen van [A] . Daartoe voert zij – kort samengevat – aan dat de Gemeente (uiteindelijk) zowel procedureel als inhoudelijk niet anders dan tot gunning van de aanbesteding aan [B] heeft kunnen komen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

Het verzoek van [B] om te mogen tussenkomen – waartegen [A] noch de Gemeente bezwaar heeft gemaakt – is ter zitting toegewezen op de grond dat [B] belang heeft bij tussenkomst om benadeling van haar eigen rechten en rechtspositie te voorkomen en het geding ten gevolge van de tussenkomst niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt. De kosten in het incident zijn tussen partijen zo gecompenseerd dat ieder de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

Spoedeisend belang

4.2.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [A] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Met de aard van het geschil gedurende de stand-still periode in een lopende aanbestedingsprocedure is het spoedeisend belang gegeven.

Inhoudelijk

De primaire vordering

4.3.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de Gemeente de inschrijving van [A] terecht (alsnog) terzijde heeft gelegd als zijnde ongeldig. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Dat oordeel zal hieronder nader worden toegelicht.

Locatie autoparkeerplaatsen

4.4.

In de Selectieleidraad (zie 2.2) – voorafgaand aan de concurrentiegerichte dialoog – zijn randvoorwaarden ten aanzien van de ontwikkeling opgenomen, onder meer met betrekking tot het Bouwvlak (“(…) De bergingen kunnen worden opgelost op de begane grond of in de woning. Op de begane grond dient in een gezamenlijke fietsenstalling (inpandig of in de tuin) te worden voorzien (…)”, de Bouwhoogte (“(…) Het maximale aantal bouwlagen is voor het grootste deel van het bouwvlak vier. (…) Een kleiner deel van het bouwvlak is bestemd voor maximaal 3 bouwlagen (…)” en Fietsen en parkeren (“(…) De stalling kan in het bouwvlak van het gebouw worden opgenomen of als bijgebouw in het westen van de tuin. Het parkeren vindt plaats op het terrein achter het gebouw (…)”). Daaruit volgt reeds met zoveel woorden dat voor de fietsenstalling kan worden gekozen voor inpandig of in de tuin, terwijl het ‘parkeren’ (waarmee onmiskenbaar wordt bedoeld: het parkeren van auto’s) plaatsvindt op het terrein achter het gebouw (onderstr. vzr.). Het enkele feit dat er voor fietsen wél onderscheid wordt gemaakt in mogelijkheden (voor de fietsenstalling heeft de inschrijver immers een keuze om die in- of uitpandig te situeren), terwijl die mogelijkheid bij het ‘parkeren’ (van auto’s) níet wordt geboden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders worden uitgelegd dan dat dwingend wordt voorgeschreven waar parkeren wél (en daarmee dus ook meteen waar níet) dient plaats te vinden.

4.5.

Partijen hebben desgevraagd erkend dat over de mogelijkheid van (al dan niet deels) inpandig c.q. halfverdiept parkeren onder het gebouw niet is gesproken tijdens de concurrentiegerichte dialoog op 16 maart 2026. [A] heeft ter zitting verklaard dat zij op dat moment zelf ook nog niet over die mogelijkheid had nagedacht. De door [A] gekozen situering voor het parkeren, waarbij nagenoeg de helft van het aantal parkeerplaatsen halfverdiept (en dus semi-inpandig) zal plaatsvinden, is pas tijdens de presentatie van de inschrijving van [A] voor het eerst aan bod gekomen.

4.6.

In het Kavelpaspoort – dat eerst ná de concurrentiegerichte dialoog is vastgesteld en waarin de randvoorwaarden voor de ontwikkeling definitief zijn gemaakt – (zie 2.4) is voorts nogmaals opgenomen: “Parkeren vindt plaats op het achterterrein” (onderstr. vzr.). Dat draagt bij aan het dwingende karakter van de gestelde randvoorwaarden ten aanzien van parkeren. Ter indicatie van de situering heeft de Gemeente in het Kavelpaspoort bovendien schetsmatig een indicatief parkeerterrein opgenomen waarop de te realiseren parkeerplaatsen met grastegels zijn ingetekend. In overeenstemming met eerder genoemde randvoorwaarden, zijn deze parkeerplaatsen ook op het achterterrein ingetekend, met dien verstande dat
– blijkens de tekening – daarmee kennelijk is bedoeld: overloop (afhankelijk van het aantal uiteindelijk gebouwde woningen) op een van de omsluitende wegen afgelegen kant van het gebouw.

4.7.

Anders dan [A] in haar bezwaar van 17 juli 2026 (zie 2.9) aan de Gemeente heeft geschreven, berust de gecorrigeerde gunningsbeslissing naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus op een uitleg van het Kavelpaspoort die wel degelijk in de aanbestedingsstukken is te vinden. Zowel in (paragraaf 1.3.2.6 van) de Selectieleidraad als in (paragraaf 1.3.2 van ) de Inschrijvingsleidraad is als randvoorwaarde opgenomen: “Het parkeren vindt plaats op het terrein achter het gebouw”. In het Kavelpaspoort is onder ‘Bouwregels’ opgenomen: “Het parkeren vindt plaats op het achterterrein”. Deze voorwaarde is – zowel in doel als bewoording – volstrekt eenduidig over de locatie van parkeren. Een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver had dat dus ook als zodanig kunnen en moeten begrijpen. De opvatting dat die tekst “ruimte laat voor aanpassing”, zoals [A] ter zitting heeft aangevoerd, deelt de voorzieningenrechter dan ook niet. Het feit dat zowel de beide leidraden als het Kavelpaspoort een dergelijke keuzevrijheid ten aanzien van de situering van de fietsenstalling (inpandig of in de tuin) wél met zoveel woorden hebben overgelaten aan de inschrijvers maar voor het autoparkeren níet, draagt immers juist bij aan het dwingende karakter van de locatie voor parkeren (van auto’s), namelijk op het terrein achter het gebouw c.q. op het achterterrein. Dat is derhalve een dwingende (rand)voorwaarde ten aanzien van het parkeren, aan welke voorwaarde [A] met haar inschrijving – die immers uitgaat van halfverdiepte parkeerplekken onder het gebouw ten aanzien van nagenoeg de helft van de parkeerplaatsen – niet heeft voldaan.

4.8.

Bij die stand van zaken kon de Gemeente niet anders dan tot de conclusie komen dat [A] met haar inschrijving niet aan de gestelde randvoorwaarden heeft voldaan, zodat de Gemeente en de inschrijving van [A] dus niet anders dan ongeldig kon verklaren. Dat de Gemeente dat pas heeft gedaan nádat zij een klacht van [B] had ontvangen over de inschrijving van [A] (aan wie de aanbesteding aanvankelijk voorlopig was gegund), is weliswaar zuur voor [A] , maar dat maakt het voorgaande niet anders. Een ongeldige inschrijving moet terzijde gelegd worden. Iedere andere beslissing zou immers juist in strijd met het aanbestedingsrecht zijn.

Aantal bouwlagen

4.9.

Hoewel de inschrijving van [A] door de Gemeente reeds om bovenstaande reden terecht als ongeldig terzijde is gelegd, had die laatste dat óók kunnen (en in dat geval ook moeten) doen in verband met overschrijding door [A] van de in de Aanbestedingsstukken tevens opgenomen aantal bouwlagen. Hoewel [A] erop heeft gewezen dat het begrip ‘bouwlaag’ nergens met zoveel woorden is gedefinieerd in de Aanbestedingsdocumenten, is de voorzieningenrechter met de Gemeente van oordeel dat in dat geval aansluiting moet worden gezocht bij het Omgevingsplan Haarlemmermeer voor de bouwlocatie, alsmede bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dat de inschrijving van [A] voor wat betreft de halfverdiepte parkeerplaatsen, zoals de Gemeente in haar conclusie van antwoord onder randummer 27 uiteen heeft gezet, bij hantering van die definities het maximaal aantal bouwlagen overschrijdt, heeft zij niet gemotiveerd weersproken. Zij heeft er wel op gewezen dat de maximaal voorgeschreven bouwhoogte niet wordt overschreden, maar dat laat de overschrijding van het aantal bouwlagen onverlet. Ook ten aanzien van het in de leidraden voorgeschreven maximaal aantal bouwlagen, voldoet de inschrijving van [A] dus niet aan de Aanbestedingsdocumenten.

De slotsom is dat de inschrijving van [A] terecht terzijde is gelegd, hetgeen meebrengt dat de primaire vordering niet toewijsbaar is.

De subsidiaire vordering

4.10.

Naar uit het voorgaande volgt zijn de aanbestedingsstukken wat betreft de door de gemeente gewenste parkeeroplossing niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. De Gemeente heeft terecht opgemerkt dat de aanname dat de aanbestedingsstukken voldoende ruimte boden voor de aangeboden oplossing minstgenomen aanleiding had moeten zijn om vragen te stellen. Dat men die vragen niet stelt omdat daarbij de kans bestaat dat anderen daarmee op ideeën worden gebracht kan een bewuste, zij het risicovolle, keuze zijn. Als dat risico zich dan verwezenlijkt, moet men niet over onduidelijkheid van de aanbestedingsstukken klagen.

[B] ingeschreven met (niet-toegestane) variant?

4.11.

[A] heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat [B] zou hebben ingeschreven op de Aanbesteding met een ‘terugvalscenario’, terwijl in paragraaf 2.7 van de Inschrijvingsleidraad (zie het slot van het citaat in 2.5) expliciet is voorgeschreven dat varianten niet zijn toegestaan. Met de Gemeente en [B] is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat dit standpunt van [A] ten onrechte uitgaat dat [B] (mede) met een variant zou hebben ingeschreven. Dat die inschrijving als gevolg van de maatvoering van het plan ruimte laat om het gebouw – binnen het maximale bouwvlak en overeenkomstig (de randvoorwaarden van) het Kavelpaspoort – nog enigszins te ‘verschuiven’ (en dus niet: te wijzigen in maatvoering of andere bouwkundige aanpassingen te verrichten), maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat daarmee sprake is van een niet-toegestane variant. Bovendien heeft [B] deze ruimte zélf ook niet aangegeven in haar inschrijving, maar is het juist de Gemeente die kennelijk heeft geconstateerd dat de maatvoering van het bouwvlak in de inschrijving van [B] de genoemde flexibiliteit biedt. Dat laat onverlet dat [B] slechts één inschrijving heeft gedaan.

4.12.

De slotsom is dat ook de (subsidiaire) vordering van [A] niet toewijsbaar is.

Conclusie

4.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [A] moeten worden afgewezen.

Proceskosten

4.14.

[A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

De proceskosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

4.15.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [A] in de proceskosten aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over bovenstaande proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026.

936

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.