Rechtbank Noord-Holland, eerste aanleg - meervoudig personen- en familierecht

ECLI:NL:RBNHO:2026:13087

Op 7 September 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/15/379099/JU RK 26-948, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNHO:2026:13087. De plaats van zitting was Haarlem.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/15/379099/JU RK 26-948
Datum uitspraak:
7 September 2026
Datum publicatie:
28 September 2026
Advocaat:
mr. P.J van de Pol uit Haarlem;;mr. N.H. Fridsma uit Heemskerk

Indicatie

Perspectiefbesluit vader wordt onderschreven, perspectiefbesluit moeder niet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummers: C/15/379099/JU RK 26-948

C/15/379100/JU RK 26-949

C/15/379104/JU RK 26-950

Datum uitspraak: 7 september 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

en

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. P.J. van de Pol uit Haarlem;

en

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. N.H. Fridsma uit Heemskerk.

1
Het verdere verloop van de procedure
1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen van 20 mei 2026 ( [de minderjarige 2] );

het verzoekschrift met bijlagen van 27 mei 2026 ( [de minderjarige 1] );

de beschikking van 9 juli 2026;

de brief van de GI aan de ouders van 3 juni 2026 (perspectiefbesluit);

het verzoekschrift met bijlagen van 4 juni 2026 (wijzigen omgangsmomenten [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] );

de brief van de GI met bijlagen van 19 augustus 2026 (tijdlijn zorgen en signalen rondom mogelijk middelengebruik vader);

het verweerschrift met bijlagen van moeder van 20 augustus 2026;

het verweerschrift met bijlagen van vader van 21 augustus 2026.

1.2.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zitting met gesloten deuren voortgezet op 24 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] (hierna: de kinderen) naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. [de minderjarige 2] heeft een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [de minderjarige 2] heeft verteld.

1.4.

Deze beschikking ziet op drie dossiers. Twee dossiers (Voetnoot 1) gaan over de verzoeken van de GI over een ondertoezichtstelling, machtiging uithuisplaatsing en perspectiefbesluit Het andere dossier (Voetnoot 2) ziet op het verzoek van de GI tot het wijzigen en vastleggen van de omgangsmomenten.

2
De feiten
2.1.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

2.2.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 augustus 2020 de kinderen onder toezicht gesteld en dat steeds verlengd. De kinderrechter heeft bij beschikking van

9 juli 2026 de ondertoezichtstelling verlengd tot 5 september 2026 en de beslissing voor het overige verzochte deel aangehouden tot deze zitting.

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking 29 oktober 2020 een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen bij de grootouders vaderszijde (vz) tot 29 april 2021.

2.4.

Bij beschikking van 5 november 2021 (gehandhaafd bij beschikking van de kinderrechter van 15 november 2021) is de beslissing van de kinderrechter van

3 november 2021 om een spoedmachtiging te verlenen om de kinderen uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin voor de duur van vier weken vastgelegd.

2.5.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 augustus 2023 een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 5 augustus 2024. Aan deze machtiging is feitelijk geen uitvoering gegeven. (Voetnoot 3)

2.6.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 februari 2025 (opnieuw) een machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen bij de vader met gezag tot

5 augustus 2025. De kinderrechter heeft deze machtiging bij beschikking van 22 juli 2025 verlengd tot 5 augustus 2026.

2.7.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 september 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 september 2025. De machtiging is verlengd tot 5 augustus 2026, waarmee de machtiging die is verleend bij beschikking van 22 juli 2025 is komen te vervallen. Bij beschikking van 9 juli 2026 is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot

5 september 2026 en voor het overige verzochte deel aangehouden tot deze zitting.

2.8.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 december 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot

8 januari 2026. Deze machtiging is verlengd tot 5 augustus 2026, waarmee de machtiging die is verleend bij beschikking van 22 juli 2025 is komen te vervallen. Bij beschikking van 9 juli 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot

5 september 2026 en voor het overige verzochte deel aangehouden tot deze zitting.

2.9.

[de minderjarige 1] verblijft op basis van voornoemde machtiging in een crisispleeggezin. [de minderjarige 2] verblijft op basis van voornoemde machtiging bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .

Omgangsmomenten

2.10.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 februari 2025 – de kinderen woonden op dat moment bij de vader – de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

“bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de moeder:

- op dinsdagmiddag van 15.00 tot 17.00 uur omgang heeft met beide kinderen bij haar thuis, begeleid door Philadelphia;

- [de minderjarige 1] op dinsdag om 14.30 uur onbegeleid op school ophaalt;

- tijdens de zwemlessen van [de minderjarige 2] aanwezig is, waarbij opa vz ook aanwezig is, waarbij de omgang onder regie van de GI kan worden uitgebreid als dit in het belang van de kinderen wordt geacht.”

3
De verzoeken

Ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en perspectiefbesluit

3.1.

De GI heeft verzocht het resterende deel van de verzoeken om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de kinderen toe te wijzen en de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft tevens een perspectiefbesluit genomen en de rechtbank verzocht dat besluit te toetsen. De GI heeft de verzoeken samengevat als volgt onderbouwd.

3.2.

De doelen binnen de ondertoezichtstelling zijn niet (geheel) behaald. De moeder is betrokken bij de kinderen en denkt goed mee over bijvoorbeeld praktische zaken. Tegelijkertijd wordt al sinds 2021 een terugkerend patroon gezien waarin moeder in de opvoeding snel overbelast raakt, moeite blijft houden met emotieregulatie en de kinderen onvoldoende begrenst. Zij heeft moeite om haar ouderrol stevig en voorspelbaar in te nemen en heeft onvoldoende oog voor haar eigen aandeel in de complexe gezinssituatie. Ook de vader toont zich betrokken bij de kinderen, maar hij is onvoldoende in staat gebleken om de kinderen bij hem thuis de opvoeding, veiligheid, structuur en voorspelbaarheid te bieden die zij nodig hebben. Daarnaast heeft de GI toenemende zorgen over mogelijk middelengebruik van de vader. In de afgelopen periode leek de vader tijdens een aantal telefoongesprekken onder invloed van alcohol, was hij slecht bereikbaar en kwam hij zijn afspraken niet na.

3.3.

De kinderen doen het goed waar zij nu verblijven. De rust en stabiliteit die het pleeggezin [de minderjarige 1] en de groep [de minderjarige 2] biedt, doen de kinderen goed. De GI acht van belang dat voor de kinderen duidelijkheid en continuïteit komt. De kinderen hebben namelijk al geruime tijd te maken gehad met wisselingen en onzekerheid over hun opvoedsituatie, in combinatie met meerdere uithuisplaatsingen. Er is gedacht aan het laten uitvoeren van een perspectiefonderzoek door een externe partij, maar daar zal naar alle waarschijnlijkheid geen nieuwe of andere informatie uit komen. Bij beide ouders is veel hulpverlening ingezet en dat heeft onvoldoende verbetering in de opvoedkwaliteiten van de ouders gebracht. Het plafond is bereikt, aldus de GI. Daarom heeft de GI het besluit genomen dat thuisplaatsing niet in het belang is van de kinderen en dat het opgroeiperspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt.

3.4.

De GI zal de komende periode onderzoeken wat een passende en duurzame vervolgplek is voor de kinderen en waar zij voor de lange termijn kunnen opgroeien. [de minderjarige 2] kan tot zijn meerderjarigheid bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijven. In tegenstelling tot wat in het verzoekschrift staat vermeld, kan [de minderjarige 1] nog een tijdje bij het crisispleeggezin blijven.

Omgangsmomenten

3.5.

Als gevolg van de recente veranderingen ervaart [de minderjarige 1] veel prikkels en zij heeft (daardoor) een grote behoefte aan stabiliteit. Sinds de uithuisplaatsing heeft [de minderjarige 1] afwisselend de ene week twee uur begeleide omgang met de vader en de andere week twee uur begeleide omgang met de moeder. In de week waarin geen fysiek contact is met de betreffende ouder, heeft [de minderjarige 1] begeleid telefonisch contact met die ouder. Deze regeling waarborgt het contact met beide ouders en beperkt tegelijkertijd de belasting voor [de minderjarige 1] , aldus de GI. [de minderjarige 2] heeft elke week afzonderlijk twee uur begeleide omgang met de vader en de moeder. Deze omgang past bij zijn dagprogramma en belastbaarheid. De GI verzoekt de rechtbank de regeling uit de beschikking van 11 februari 2025 dan ook te wijzigen en de regeling zoals die nu wordt vormgegeven, schriftelijk vast te leggen.

4
De standpunten

Ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en perspectiefbesluit

De moeder

4.1.

De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ook is de moeder het eens met de verlenging van de uithuisplaatsing, maar dan voor zes maanden zodat na afloop van die periode door de rechtbank de actuele situatie van de moeder beoordeeld kan worden. De moeder is het niet eens met het perspectiefbesluit. De moeder legt hieraan ten grondslag dat de GI niet conform het IVRK (Voetnoot 4) en de Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing heeft gehandeld. De GI heeft in strijd met deze richtlijn geen “terug naar huis onderzoek” uitgevoerd. De situatie van de moeder is veranderd. Zij heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt door hard aan zichzelf te werken. Zo heeft zij diagnostiek ondergaan, staat ze in contact met maatschappelijk werk voor financiële hulp en krijgt ze ondersteuning van Stichting de Linde en Philadelphia. In tegenstelling tot wat in het perspectiefbesluit staat, is de moeder al een tijd abstinent van alcohol en andere middelen. Voor de kinderen is een veilige opvoedomgeving nodig, waar zij voor langere periode mag blijven. Dat kan, met passende ondersteuning die zij nu al krijgt, bij de moeder.

De vader

4.2.

De rechtbank begrijpt de vader aldus dat hij het eens is met de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, maar dan voor een kortere periode dan de verzochte twaalf maanden. De vader wil dat de kinderen weer bij hem thuis komen wonen en is het dan ook niet eens met het perspectiefbesluit. De GI heeft zich gebaseerd op oude informatie en heeft niet meegenomen in hoeverre de vader zich heeft ontwikkeld op het gebied van opvoedvaardigheden. Bovendien is bekend dat [de minderjarige 1] niet op haar huidige plek kan blijven. Dat zij wederom zal moeten verhuizen naar een andere plek is schadelijk voor haar, wat de GI niet lijkt te hebben meegenomen in het perspectiefbesluit. De GI heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het op dit moment noodzakelijk is voor de kinderen dat duidelijkheid komt over hun opgroeiperspectief.

Omgangsmomenten

De moeder

4.3.

De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI en vraagt om afwijzing daarvan. Bij eerdere beschikkingen is de GI meegegeven om de omgang met de kinderen uit te breiden, maar de GI heeft die in de afgelopen periode juist beperkt. Ook de kinderen geven aan dat zij de moeder vaker willen zien. De moeder wil dat wordt toegewerkt naar een uitbreiding van de regeling, zoals wekelijks een nachtje logeren.

De vader

4.4.

De vader is het niet eens met de door de GI verzochte wijziging voor zover die ziet op [de minderjarige 1] . De GI baseert zich slechts op praktische overwegingen zoals afstand, reistijd en beschikbaarheid van begeleiding, terwijl de GI ook rapporteert dat [de minderjarige 1] zichtbaar geniet van het contact met de vader. De vader wil dan ook met [de minderjarige 1] – net als met [de minderjarige 2] – elke week twee uur begeleide omgang.

Overwegingen

5
De beoordeling

Het perspectiefbesluit

5.1.

De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouders maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. (Voetnoot 5) Dat is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De rechtbank zal dan ook overgaan tot het beoordelen van het perspectiefbesluit.

5.2.

Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, blijkt het volgende. De kinderen hebben veel meegemaakt. De kinderen zijn bij de ouders opgegroeid in een thuissituatie met middelengebruik, huiselijk geweld en instabiliteit. Ze hebben daarnaast gedurende de jaren meerdere uithuisplaatsingen meegemaakt: bij hun grootouders, crisispleeggezin, de vader en uiteindelijk een woongroep en nieuw crisispleeggezin. De kinderen hebben ook beiden eigen problematiek. [de minderjarige 2] heeft een intensieve zorgvraag. Hij heeft specialistische begeleiding nodig binnen een omgeving die hem voldoende stabiliteit, voorspelbaarheid en nabijheid kan bieden om zijn ontwikkeling positief te ondersteunen. Ook [de minderjarige 1] heeft veel last van de onveiligheid die zij in de thuissituatie heeft meegemaakt. Bij [de minderjarige 1] is sprake van een leerachterstand en ze laat opvallend gedrag zien in het contact met leeftijdsgenootjes. Voor de kinderen is dan ook belangrijk dat de hulpverlening en begeleiding die zij krijgen, gecontinueerd wordt.

5.3.

Beide ouders hebben naar voren gebracht dat hun situatie inmiddels is veranderd en dat de kinderen bij de vader respectievelijk de moeder kunnen opgroeien. De GI heeft een gezamenlijk perspectiefbesluit genomen voor de ouders. De rechtbank ziet echter aanleiding om de situatie van de vader en de moeder afzonderlijk te beoordelen.

De moeder

5.4.

Met de moeder stelt de rechtbank vast dat de GI geen “terug naar huis onderzoek” heeft verricht of laten verrichten. Ter zitting heeft de GI dit erkend en nader toegelicht dat het perspectiefbesluit met name is ingegeven door de jarenlange zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders en het gebrek aan (emotionele) veiligheid die de ouders de kinderen hebben geboden. Ook de huidige omgangsmomenten bevestigen het beeld van de GI dat het de ouders nog steeds niet lukt om de voorwaarden te bieden die de kinderen nodig hebben om veilig en stabiel op te groeien, aldus de GI. De moeder heeft echter gemotiveerd naar voren gebracht dat zij hard aan zichzelf heeft gewerkt en een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ter zitting heeft de GI bevestigd dat de moeder eigen hulpverlening heeft ingeschakeld en dat dat goed gaat. De moeder heeft inmiddels geleerd de kinderen beter te begrijpen en staat nu een stuk rustiger in het contact. Ook heeft de GI ter zitting bevestigd dat bij de moeder geen zorgen meer bestaan over middelengebruik. De situatie bij de moeder lijkt dan ook anders te zijn dan voorheen, toen de zorgen van de GI over de moeder en haar belastbaarheid terecht groot waren. Uit het perspectiefbesluit blijkt onvoldoende dat onderzoek is gedaan naar de huidige opvoedvaardigheden en belastbaarheid van de moeder. Dat klemt temeer, nu een “terug naar huis onderzoek” ontbreekt, waarin juist onderzocht wordt of de minderjarige teruggeplaatst kan worden bij de moeder en wat daarvoor nodig is. Bij een dergelijk onderzoek had ook aan bod kunnen komen of een gefaseerde terugplaatsing van bijvoorbeeld eerst [de minderjarige 1] , zoals door de moeder is voorgesteld, met daarbij goede en passende hulpverlening een reële optie zou zijn geweest.

5.5.

Er is op dit moment dan ook nog onvoldoende zicht op de actuele situatie van de moeder. De moeder heeft minimale omgang met de kinderen. Aan de observaties die dan kennelijk worden gedaan, kan niet de verstrekkende conclusie worden verbonden dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt. Daarnaast wordt in het perspectiefbesluit onvoldoende inzichtelijk onderscheid gemaakt tussen de vader en de zorgen die zien op zijn situatie en de moeder en de zorgen die zien op haar situatie. De ouders zijn niet samen en voor zover de rechtbank begrijpt is het niet de insteek dat zij vanuit een relatie voor de kinderen zullen zorgen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat niet alleen onderzoek wordt gedaan naar wat de kinderen nu nodig hebben, maar ook naar de actuele situatie van de moeder – afzonderlijk van de vader – en de vraag of zij, op termijn, in staat is om, met hulpverlening, de kinderen te bieden wat ze nodig hebben. Gelet op de voorgeschiedenis van de moeder en kwetsbaarheden van de kinderen, zijn de stappen die de moeder moet zetten voor een eventuele (gedeeltelijke) thuisplaatsing groot. De kans bestaat dat een volledige thuisplaatsing van beide kinderen niet haalbaar is voor de moeder. De moeder dient echter wel een eerlijke kans te krijgen, voordat geconcludeerd wordt dat de kinderen niet meer bij haar zullen opgroeien. De rechtbank begrijpt dat duidelijkheid voor de kinderen wenselijk is. Volgens de GI heeft met name [de minderjarige 1] last van het gebrek aan perspectief. Die duidelijkheid kan de kinderen worden gegeven nadat zorgvuldig onderzoek is gedaan.

5.6.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat het perspectiefbesluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, omdat gedegen onderzoek zoals een “terug naar huis onderzoek” ontbreekt. Het perspectiefbesluit ten aanzien van de moeder zal door de rechtbank dan ook niet worden onderschreven.

De vader

5.7.

Bij de vader heeft ook geen “terug naar huis onderzoek” of andersoortig onderzoek plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is dergelijk nader onderzoek in zijn geval minder noodzakelijk ter onderbouwing van het perspectiefbesluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.8.

Gedurende de afgelopen jaren leek de vader volgens de GI de meest stabiele ouder te zijn voor de kinderen: de vader was degene die open stond voor hulpverlening, goed samenwerkte met de GI en leerbaar was. Zijn alcoholgebruik was een punt van aandacht, maar dat leek onder controle met medicatie. Er was in dat kader een veiligheidsplan opgesteld en de vader leek zich daaraan te houden. In december 2025 is [de minderjarige 1] echter met spoed uithuisgeplaatst vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, waarbij zijn alcoholgebruik een grote rol speelde. De veiligheid en voorspelbaarheid bij de vader thuis werden hierdoor onvoldoende gewaarborgd. Sindsdien is bij de GI duidelijk geworden dat het alcoholprobleem van de vader waarschijnlijk groter is dan gedacht en dat de vader het veiligheidsplan onvoldoende heeft nageleefd. De vader is steeds slechter bereikbaar, ontwijkt de controlemomenten en de hulpverlening heeft bij verschillende telefoongesprekken met de vader het vermoeden dat hij op die momenten onder invloed is. Ter zitting heeft de vader bevestigd dat hij onlangs een terugval heeft gehad.

5.9.

De vader heeft jarenlang intensieve hulpverlening ontvangen. Bij de vader is daarnaast intensieve opvoedondersteuning ingezet toen de kinderen nog bij hem thuis woonden. [de minderjarige 1] woonde tot december 2025 bij haar vader en ook gedurende die periode is gezien dat bij de vader sprake was van beperkte emotionele beschikbaarheid en dat hij lastig kon aansluiten bij de behoeften van [de minderjarige 1] . Het bieden van structuur en voorspelbaarheid, wat vooral voor [de minderjarige 2] belangrijk is, is eveneens moeizaam gebleven bij de vader. Ondanks alle hulp en begeleiding die bij de vader is ingezet, is de thuisplaatsing van de kinderen onvoldoende veilig en stabiel voor hen gebleken. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vader daadwerkelijk inziet wat van hem nodig is om de kinderen weer een (emotioneel) veilig thuis te kunnen bieden. De vader richt zich met name op praktische oplossingen, maar toont daarbij geen inzicht in de structurele zorgen die de GI over zijn opvoedvaardigheden heeft. De GI heeft dan ook terecht naar voren gebracht dat de vader onvoldoende in staat is gebleken om de duurzame verandering te laten zien die nodig is om de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen weer te kunnen dragen. Dat de situatie van de vader is veranderd en hij zich positief heeft ontwikkeld, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de actuele omstandigheden van de vader, waarbij juist sprake is geweest van een terugval in alcoholgebruik. Dat de vader de kinderen, eventueel met hulpverlening, weer zou kunnen opvoeden en verzorgen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer aan de orde. De rechtbank zal het perspectiefbesluit ten aanzien van de vader daarom onderschrijven. Dat betekent dat de GI niet meer zal (hoeven) werken aan plaatsing van de kinderen bij de vader thuis.

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

5.10.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. (Voetnoot 6) De rechtbank legt hieronder uit waarom

5.11.

De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige 2] raakt nog snel ontregeld wanneer structuur wegvalt of spanningen toenemen en kan dan grensoverschrijdend gedrag laten zien. Zijn zorgvraag is intensief en vraagt om specialistische begeleiding. Positief is dat [de minderjarige 2] inmiddels naar school gaat. Hij krijgt één-op-één begeleiding, die met kleine stappen steeds meer naar de achtergrond kan worden gebracht. Tegelijkertijd blijft zijn ontwikkeling kwetsbaar. De traumabehandeling bij Kenter (KJTC) bevindt zich in de aanmeldfase. Het is daarom noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om zijn ontwikkeling te volgen, hulpverlening te coördineren en te bewaken dat hij de specialistische ondersteuning blijft ontvangen die hij nodig heeft. Voor [de minderjarige 1] is nodig dat meer zicht komt op wat zij nodig heeft om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Diagnostiek en traumabehandeling hebben nog niet plaatsgevonden, waardoor de onderliggende problematiek en benodigde ondersteuning nog onvoldoende duidelijk zijn. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft om de regie te houden over de inzet van passende hulpverlening.

5.12.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat dit in het verleden onvoldoende succesvol is gebleken. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de resterende duur van de verzoeken verlengen.

5.13.

Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [de minderjarige 1] in een pleeggezin noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. (Voetnoot 7) Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [de minderjarige 2] goed zit bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en [de minderjarige 1] niet direct naar huis kan, maar de ouders achten een toetsmoment over zes maanden passend zodat tegen die tijd de situatie opnieuw beoordeeld kan worden. De rechtbank oordeelt anders. De GI zal de komende periode moeten onderzoeken of de kinderen weer (deels) bij de moeder kunnen wonen en verder kunnen opgroeien. Tegelijkertijd zal diagnostiek en hulpverlening voor de kinderen verder op gang komen. Dit gehele proces dient zorgvuldig en gefaseerd plaats te vinden en dat zal de nodige tijd kosten. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding om de machtigingen uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen voor de resterende duur van de verzoeken. De rechtbank geeft de GI met klem mee om de periode die [de minderjarige 1] nog in het crisispleeggezin mag blijven, te gebruiken om voornoemd onderzoek uit te voeren. Voorkomen dient te worden dat [de minderjarige 1] , voordat het onderzoek is afgerond, in een nieuw (crisis)pleeggezin geplaatst moet worden.

Omgangsmomenten

5.14.

De rechtbank kan de bij beschikking vastgelegde regeling onder meer wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. (Voetnoot 8) De eerdere regeling is vastgesteld toen de kinderen nog bij de vader woonden, wat nu niet meer het geval is. De rechtbank kan dan ook kennis nemen van het verzoek van de GI.

5.15.

De rechtbank overweegt dat de omgangsmomenten tussen de ouders en de kinderen onderdeel zal moeten uitmaken van het brede perspectiefonderzoek dat de GI dient te verrichten. De komende tijd zal veel in gang gezet moeten worden in het kader van dit onderzoek, wat voor de kinderen initieel extra belastend kan zijn. De GI dient nauwlettend in de gaten te houden wat de kinderen aankunnen, waarbij de GI het belang van de kinderen uiteraard voorop zal stellen. De rechtbank merkt op dat het verzoek tot wijziging van de omgangsmomenten is gebaseerd op het uitgangspunt dat de kinderen niet meer thuis bij de ouders zullen opgroeien. Nu de rechtbank het perspectiefbesluit met betrekking tot de moeder echter niet onderschrijft, maar onderzoek dient plaats te vinden naar een eventuele thuisplaatsing bij de moeder, is het aan de GI om in dat kader de omgangsmomenten bij de moeder zorgvuldig en stapsgewijs uit te breiden, uiteraard voor zover het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet.

5.16.

Vaststaat dat de huidige vastgelegde regeling niet meer wordt nageleefd en niet past bij de huidige situatie van de ouders en de kinderen. De rechtbank kan zich dan ook voorstellen dat de GI vooralsnog de omgangsmomenten hanteert, zoals in het verzoek staat vermeld. Om deze reden zal de rechtbank het verzoek van de GI toewijzen. De rechtbank gaat er daarbij wel vanuit dat de GI, zodra dat kan en met inachtneming van al het voornoemde, de omgangsmomenten, waar passend en in het belang van de kinderen, met in elk geval de moeder uitbreidt. De rechtbank geeft de GI ook mee om blijvend oog te houden voor het onderlinge contact tussen de kinderen.

5.17.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling tot 5 augustus 2027 van:

- [de minderjarige 1], en

- [de minderjarige 2];

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een pleeggezin tot 5 augustus 2027;

6.3.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 augustus 2027;

6.4.

wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt deze als volgt:

- ten aanzien van [de minderjarige 1] wordt bepaald dat zij eenmaal per week gedurende twee uur begeleid contact heeft met één van haar ouders, waarbij in de week waarin geen fysiek contact plaatsvindt een begeleid telefonisch contactmoment van een half uur plaatsvindt;

- ten aanzien van [de minderjarige 2] wordt bepaald dat hij wekelijks gedurende twee uur begeleid contact heeft met de vader en wekelijks gedurende twee uur begeleid contact heeft met de moeder;

legt de regie over uitbreiding en wijziging van de frequentie, duur en vorm van deze regeling bij de GI;

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het overige of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, mr. E.M. ten Bos en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026, in aanwezigheid van mr S.E. Apon als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dossiernummers eindigend op 100 ( [de minderjarige 2] ) en 099 ( [de minderjarige 1] )

Voetnoot 2

Dossiernummer eindigend op 104

Voetnoot 3

ecli:nl:rbnho:2024:8406

Voetnoot 4

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Voetnoot 5

Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.

Voetnoot 6

Artikel 1:260 BW.

Voetnoot 7

Artikel 1:265c, tweede lid, BW.

Voetnoot 8

Artikel 1:265g BW.