Strafprocesrecht

Jeugdstrafrecht. Artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het…

Rechtbank Noord-Holland, 11 juni 2026

Zaakgegevens

Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
11 juni 2026
Datum publicatie
2 juli 2026
Zaaknummer
15/349369-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8013
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, namelijk een omgebouwd gas-/alarmrevolver. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de noodzaak voor de verdachte om een VOG te verkrijgen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/349369-25

Uitspraakdatum: 11 juni 2026

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 28 mei 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout, [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) en [vertegenwoordiger Levvel] namens Levvel, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Beverwijk een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Bruni Olympic, Model 38, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van

28 mei 2026;

- het proces-verbaal van determinatie-onderzoek aan vuurwapen van 13 oktober 2025 (dossierpagina 26 e.v.).

Het hiervoor vermelde proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 12 oktober 2025 te Beverwijk een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Bruni Olympic, Model 38, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad.

Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van zesenveertig (46) uur en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met een proeftijd van één jaar.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht in de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit, de impact van het verblijf van de verdachte in verzekering en, in het bijzonder, zijn toekomstperspectief.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, namelijk een omgebouwd gas-/alarmrevolver met een aangepaste loop om scherpe patronen te kunnen verschieten. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen voor een vriend bewaarde. De rechtbank benadrukt dat de verdachte door het bewaren van een wapen voor een ander grote risico’s neemt en dat deze risico’s volstrekt onacceptabel zijn. In het algemeen geldt dat vuurwapens een groot gevaar vormen voor de samenleving. Het ongecontroleerd voorhanden hebben van vuurwapens maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. In dit geval is het gevaar voor de samenleving gelukkig beperkt gebleven, nu het een ongeladen wapen zonder munitie betrof, dat thuis in de kledingkast lag opgeborgen. Deze specifieke omstandigheden rechtvaardigen, ondanks de ernst van het feit, een lagere straf dan in soortgelijke zaken gebruikelijk is.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van

23 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 28 april 2026 van

[raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.

De Raad adviseert in zijn rapportage tot de oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Hoewel de Raad ziet dat de verdachte baat kan hebben bij het vergroten van zijn weerbaarheid tegen antisociale invloeden, lopen er momenteel al verschillende hulpverleningstrajecten, waaronder een IPA-coach en Street Pro. Gelet op deze ingezette begeleiding, in combinatie met het als laag ingeschatte recidiverisico, acht de Raad de huidige hulpverlening afdoende en ziet hij geen aanleiding om een leerstraf dan wel jeugdreclassering en/of aanvullende voorwaarden te adviseren. Ter zitting heeft de Raad dit strafadvies gehandhaafd.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen de impact van de inverzekeringstelling op de verdachte alsmede de betrokken en corrigerende rol van zijn ouders. Daarnaast weegt de rechtbank het toekomstperspectief van de verdachte zwaar mee. Gebleken is namelijk dat na een periode van langdurige problematiek de verdachte een omslag liet zien bij zijn werk-leer-traject bij Cordaan. De verdachte bloeide hier op en de hulpverlening werd zelfs afgeschaald. De rechtbank acht het van belang dat die positieve lijn in het leven van de verdachte kan worden voortgezet, om de al lage kans op recidive nog lager te maken. Om het werk-leertraject bij Cordaan te kunnen blijven uitoefenen, heeft de verdachte een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) nodig. De rechtbank houdt bij de strafoplegging daarom in dit geval rekening met de noodzaak voor de verdachte om een VOG te verkrijgen en zal de straf ook om die reden matigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 77a, 77g, 77m, 77n van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van veertig (40) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door twintig (20) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Voskens, voorzitter,

mr. A.K. Mireku en mr. M.E. Kleijn, allen (kinder)rechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. van Veen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2026.

In de na de zitting overgelegde schriftelijke vordering staat, kennelijk abusievelijk, een gevorderde werkstraf voor de duur van vijfenzestig (56) uur en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met een proeftijd van één jaar