Strafrecht overig

Veroordeling tot gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor medeplegen poging…

Rechtbank Noord-Holland, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
15-242054-25, 15-290147-23 (vord tul) en 81-295762-23 (vord tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:14740
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling tot gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor medeplegen poging doodslag en openlijke geweldpleging in Beverwijk. Voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer door meermalen met kracht tegen het hoofd te schoppen. Vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, te weten locatie-en contactverbod. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij wegens materiële en immateriële schade. Vrijspraak van medeplegen van diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15-242054-25, 15-290147-23 (vord tul) en 81-295762-23 (vord tul)

Uitspraakdatum: 29 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. N. Swart en M. Versteege (hierna elk afzonderlijk dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. T.W.A. Coulier, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen
tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk op de openbare weg, te weten de Laan der Nederlanden, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [het slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het slaan op de ontblote billen en/of
- het meermalen schoppen tegen het lichaam en/of het hoofd,
terwijl [het slachtoffer] op de grond lag en/of buiten bewustzijn was;

Feit 3
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een North Face jas, een mobiele telefoon van het merk Apple I Phone 12 pro max, een rijbewijs en/of een contant geldbedrag van 950 euro, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag, meermalen tegen zijn lichaam en/of hoofd te schoppen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de zinsnede ‘en/of buiten bewustzijn’. Daar dient de verdachte partieel van worden vrijgesproken.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat het toegepaste geweld een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer in het leven heeft geroepen en dat die kans bewust is aanvaard. Ook kan op grond van het dossier niet worden bewezen dat het slachtoffer bewusteloos is geweest.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Wat betreft feit 3 heeft de raadsman bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte goederen heeft weggenomen, dat hij wetenschap had van een door een ander voorgenomen diefstal, dat hij aan die diefstal een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd of dat zijn opzet was gericht op het gezamenlijk wegnemen van goederen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 3.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige rol heeft gespeeld bij het wegnemen van de goederen van het slachtoffer. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de gepleegde geweldshandelingen gericht waren op het voorbereiden en/of het gemakkelijk maken van de diefstal.

Partiële vrijspraak feit 1 primair en feit 2
De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van beide feiten partieel vrijspreken van het bestanddeel ‘en/of buiten bewustzijn was’. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op dit punt bevindt zich in het dossier slechts de verklaring van het slachtoffer dat hij vermoedt dat hij door het geweld buiten bewustzijn is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het slachtoffer daadwerkelijk buiten bewustzijn is geweest.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsmotivering feit 1 primair en feit 2

Inleiding

Op 6 september 2025 heeft in Beverwijk een geweldsincident plaatsgevonden. Een groep jongens heeft [het slachtoffer] (het slachtoffer) op de grond vastgehouden, zijn broek uitgetrokken en hem herhaaldelijk tegen zijn lichaam en op zijn hoofd geslagen en geschopt. Dit geweld is door (een van) de jongens gefilmd. De politie heeft de beelden bekeken en vastgesteld dat door meerdere personen, waaronder de verdachte, tegen het hoofd en het lichaam van het slachtoffer wordt geschopt en geslagen. De verdachte heeft bekend dat hij bij dit groepsgeweld aanwezig is geweest en heeft zichzelf op de beelden herkend.

Poging doodslag

Voor wat betreft de vraag of de verdachte samen met anderen opzet heeft gehad op de dood van de aangever, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt niet dat de verdachte willens en wetens (“vol” opzet) geprobeerd heeft om het slachtoffer te doden. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans, te weten een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, wordt aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. Dit kan worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Uit het dossier blijkt onder meer dat de verdachte en zijn medeverdachten om het slachtoffer heen stonden en hem meermalen op het hoofd en tegen het lichaam hebben geslagen en geschopt. Het ging om een groepsaanval, gericht tegen het slachtoffer dat weerloos op de grond lag en zich hiertegen niet kon verweren. De verdachte en zijn medeverdachten hebben meermaals, met geschoeide voet en met hoge snelheid en veel kracht, trappende en stampende bewegingen op en tegen het hoofd van het slachtoffer gemaakt. Daarnaast volgt ook uit de bevindingen van de forensische arts dat het slachtoffer ook daadwerkelijk letsel heeft opgelopen, onder meer aan zijn slaap.

Door meermalen met kracht en met geschoeide voet op/tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen, bestaat de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. De verdachte en de medeverdachten hebben bewust het risico genomen dat kwetsbare delen van het hoofd, zoals de slaap, maar ook delen van het gezicht zoals de kaak, oogkas of jukbeen, geraakt hadden kunnen komen, wat ernstig letsel kan veroorzaken met zelfs de dood tot gevolg. Het slachtoffer heeft ook daadwerkelijk letsel opgelopen. Daarnaast volgt uit de bevindingen van de forensisch arts dat dodelijk letsel in dit geval zeer wel mogelijk is geweest. De forensisch arts meldt dat de grotere impactsnelheid door de zwaaiende beweging van het been bij het schoppen, het hoog optrekken van het been vóór het 'stampen', impliceren dat deze geweldinwerkingen beschouwd kunnen worden als hevig of zeer hevig botsend geweld. Algemene mogelijke gevolgen van botsend en schavend geweld op het hoofd bestaan onder meer uit levensbedreigende hersenbloedingen. Behalve door direct botsend geweld op het hoofd is eveneens letsel mogelijk door plotse zijwaartse bewegingen en draaibewegingen door de abrupte botsende geweldinwerking tegen het hoofd, waardoor diffuse schade kan ontstaan aan de lange zenuwuitlopers in de hersenen of het ruggenmerg ('diffuse axonale schade'). Hierdoor kan een scala aan klachten ontstaan, waarbij een fatale afloop mogelijk is, aldus de forensisch arts.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte samen met anderen het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair. Ook is naar het oordeel van de rechtbank de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1
hij op 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag meermalen tegen het lichaam en het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Feit 2
hij op omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk op de openbare weg, te weten de Laan der Nederlanden, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [het slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het slaan op de ontblote billen en

- het meermalen schoppen tegen het lichaam en het hoofd,
terwijl [het slachtoffer] op de grond lag.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 1 primair

medeplegen van poging tot doodslag

en

ten aanzien van feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de volgende bijzondere voorwaarden:

  • een meldplicht bij de reclassering;

  • meewerken aan ambulante behandeling;

  • een contactverbod met de medeverdachten en het slachtoffer;

  • een locatieverbod voor Haarlem;

  • het vinden en behouden van een dagbesteding;

  • het meewerken aan schuldhulpverlening.

Daarnaast dient het contact- en locatieverbod ook als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) aan de verdachte opgelegd te worden voor een periode van twee jaren, met vervangende hechtenis van een week per overtreding met een maximale duur van 6 maanden. Van deze maatregel heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid verzocht.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hij heeft de rechtbank verzocht om geen straf op te leggen waardoor de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Uit de rapportage van de reclassering blijkt dat het goed gaat met de verdachte en dat hij een baan heeft gevonden. Hij is herstellende van een medische ingreep en hij wil weer gaan werken zodra zijn gezondheid dat toelaat. Een detentie zal deze positieve lijn doorkruisen.

Wat betreft de voorlopige hechtenis heeft de raadsman de rechtbank primair verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Indien de rechtbank van oordeel is dat de gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn, heeft de raadsman subsidiair verzocht om de voorlopige hechtenis met ingang van het moment van de einduitspraak opnieuw te schorsen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 6 september 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan (de eendaadse samenloop van) poging tot doodslag op en het plegen van openlijk geweld tegen het destijds 17-jarige slachtoffer. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten het slachtoffer herhaaldelijk en met kracht geschopt tegen zijn lichaam en hoofd, ook nadat het slachtoffer weerloos en met ontbloot onderlichaam op de grond lag. De geweldshandelingen zijn door een van de medeverdachten gefilmd en vervolgens op internet geplaatst, met daarbij een foto en de naam van het slachtoffer. Dit is niet alleen bijzonder vernederend geweest voor hem, maar dergelijke beelden kunnen ook in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid aanwakkeren, temeer nu het slachtoffer een willekeurig slachtoffer lijkt te zijn geweest. Deze gebeurtenis en de daarop volgende berichten op sociale media hebben voor grote maatschappelijke onrust gezorgd. In Beverwijk en omgeving heeft dit ertoe geleid dat er door de burgemeester een noodbevel is afgegeven, dat diverse gebieden als veiligheidsrisicogebied werden aangewezen en middelbare scholen en sportclubs zijn gesloten. Uit de slachtofferverklaring en de informatie van de psycholoog blijkt hoeveel impact deze gebeurtenis op het leven van het slachtoffer heeft gehad en nog altijd heeft. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd

1 september 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de feiten in verschillende proeftijden liep. Dit heeft hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 30 juni 2026 van Reclassering Nederland en de aanvulling hierop van 2 oktober 2026. Hieruit blijkt onder meer dat de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en goed heeft meegewerkt. De reclassering adviseert aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft ook gelet op wat de verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn medische situatie. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte het laakbare van zijn eigen handelen heeft ingezien en spijt heeft betuigd.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en dat geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank acht wel een voorwaardelijk strafdeel van belang om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden met daarbij als bijzondere voorwaarden, een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling, het (vinden en) behouden van een dagbesteding en het meewerken aan schuldhulpverlening.

7 Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)

De rechtbank acht net als de officier van justitie een contactverbod met het slachtoffer van belang maar niet als bijzondere voorwaarde, maar als vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten de maatregel van een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van twee jaar dient te worden opgelegd. De rechtbank bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis zeven dagen bedraagt per overtreding, met een maximum van zes maanden, zodat de verdachte elke keer dat hij het contactverbod overtreedt direct wordt afgestraft en de consequentie van zijn handelen ervaart.

Een locatie- en contactverbod met de medeverdachten acht de rechtbank niet (langer) noodzakelijk.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en dat daarmee aan de in artikel 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank zal dan ook bevelen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is.

8 Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen dan wel opnieuw te schorsen. De rechtbank wijst die verzoeken af, omdat de bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis nog bestaan en de strafvorderlijke belangen bij voortduring van de voorlopige hechtenis zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van de verdachte zoals aangenomen in de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 16 maart 2026. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing of opnieuw de voorlopige hechtenis schorsen afwijzen.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 45.845,44 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 15.000,00 wegens immateriële schade en een bedrag van € 30.845,44 wegens materiële schade. De materiële schade bestaat uit de posten:
- contant geld € 950,00
- North Face winterjas € 400,00

- eigen risico 2025 € 385,00,

- eigen risico 2026 € 385,00,
- reiskosten € 98,34,
- sportabonnement € 131,94
- inkomensverlies € 5.411,16
- schoolboeken € 434,00
- studieschade € 22.650,00.

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost ‘contant geld’ en ‘inkomensverlies onvoldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft ten aanzien van de schadepost ‘inkomensverlies’ de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij het vonnis van de rechtbank van 23 april 2026 in de zaak van de minderjarige medeverdachte [medeverdachte A] en deze post voor 50% toe te wijzen, wat neerkomt op een bedrag van

€ 2.705,58. Volgens de officier van justitie kan de vordering voor een bedrag van

€ 42.186,86 (€ 27.189,86 voor materiële schade en € 15.000 voor immateriële schade) worden toegewezen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, met toepassing van wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade deels niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft ten aanzien van de onderstaande posten verweer gevoerd en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Studieschade

Primair stelt de raadsman dat niet zonder meer vaststaat dat zonder het incident een volledig jaar studievertraging zou zijn voorkomen, zodat die schadepost volledig niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft hij verzocht om niet boven het bedrag uit te gaan dan het bedrag door de rechtbank is toegewezen in het vonnis in de zaak van medeverdachte [medeverdachte A].

Contant geld en de North Face winterjas

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de diefstal met geweld. Indien de rechtbank dat verweer volgt, kan de schade als gevolg van die diefstal niet zonder meer alsnog via het bewezenverklaarde geweld aan de verdachte worden toegerekend. Wat betreft de ‘North Face winterjas’, wordt subsidiair verzocht, overeenkomst het vonnis in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte A], het bedrag te matigen tot € 200,00.

Inkomensverlies

Ook deze post moet worden gematigd overeenkomstig het vonnis van medeverdachte [medeverdachte A].

Eigen risico 2026

Dit dient uitsluitend te worden toegewezen voor zover het causale verband uit de stukken blijkt.

De immateriële schade moet volgens de raadsman worden beperkt tot een bedrag van
€ 10.000,00. Voor zover een hoger bedrag wordt gebaseerd op de gevolgen van de digitale verspreiding of op nog niet uitgekristalliseerde toekomstige klachten, heeft de raadsman verzocht om de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 26.272,92

rechtstreeks voortvloeit uit de onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde feiten. De gevorderde schade van de posten eigen risico 2026 (€ 385,00), reiskosten (€ 98,34) en schoolboeken (€ 434,00), zal de rechtbank volledig toewijzen nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en voldoende zijn onderbouwd. Daarnaast zal de post studieschade ook volledig worden toegewezen. De rechtbank vindt voldoende onderbouwd dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde feiten een jaar studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het forfaitair bedrag dat in de Letselschade Richtlijn Studievertraging is opgenomen en per 1 januari 2026 is geïndexeerd naar € 22.650,00.

De post inkomensverlies zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank zal aansluiten bij het bedrag dat hiervoor is toegewezen in het vonnis van de medeverdachte [medeverdachte A], te weten € 2.705,58. Dat een hoger bedrag aan inkomensverlies is geleden is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze post voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de gevorderde bedrag van € 950,00 aan contant geld en het bedrag van € 400,00 met betrekking tot de North Face winterjas niet voor vergoeding in aanmerking. Het is onvoldoende vast komen te staan dat het slachtoffer ten tijde van het incident € 950,00 op zak had en een North Face winterjas droeg.

Aangezien de post eigen risico 2025 niet is onderbouwd met bijvoorbeeld een overzicht van de ziektekostenverzekeraar, zal de rechtbank deze post evenmin toewijzen. Ook de post sportabonnement is onvoldoende onderbouwd, nu niet vastgesteld kan worden dat het slachtoffer dit sportabonnement al ten tijde van het incident had afgesloten. Aan de hand van de onderbouwing kan enkel vastgesteld worden dat hij een sportabonnement had vanaf 29 december 2025, zijnde ruim drie maanden na de pleegdatum. De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op deze posten niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft daarnaast € 15.000,00 aan immateriële schade gevorderd.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW

onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval

staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door

de verdachte gepleegde strafbare feiten. Daarom is er een wettelijke grondslag voor de

vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te

kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de

immateriële schade die naar billijkheid wordt vastgesteld.

Uit de medische verslagen blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van de gepleegde strafbare feiten meerdere zwellingen aan zijn achterhoofd en slaap, schaafwonden, een botbreuk ter hoogte van de basis van het middenhandsbeentje van de ringvinger en mogelijke botbreuk van de rechterpink, alsmede aanhoudende neurologische klachten heeft opgelopen.

Ook heeft de benadeelde partij psychische gevolgen ondervonden die, zoals volgt uit de slachtofferverklaring en stukken van de psycholoog tot op de dag van vandaag voortduren en waarvoor hij behandelingen volgt bij een psycholoog. Uit het verslag van de GZ-psycholoog i.o. van Mind to Move van 28 september 2026 blijkt dat de klachten van de benadeelde partij passend zijn bij PTSS en een depressie, dat de traumatische klachten nog niet zijn afgenomen en dat de depressieve klachten zijn toegenomen.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en daarnaast aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 15.000,00 niet onredelijk is, zodat de vordering volledig zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Wat betreft de wettelijke rente overweegt de rechtbank het volgende. Voor de post studieschade is het moment van het intreden van deze schade, gelet op de aard hiervan, niet zonder meer duidelijk. De rechtbank zal daarom voor de post studievertraging (€ 22.650,00) geen wettelijke rente toewijzen. De door de rechtbank toegewezen wettelijke rente heeft daarom alleen betrekking op de overige bedragen die worden toegewezen (tezamen

€ 18.622,92), vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenvergoeding

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Hoofdelijkheid

De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. De verdachte en medeverdachten zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 15-290147-23

Bij vonnis van 6 maart 2025 in de zaak met parketnummer 15-290147-23 heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 17 maart 2025 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 20 maart 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-290147-23 zal afwijzen.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen. Het feit waarop de voorwaardelijke veroordeling betrekking heeft is van een geheel andere aard dat de feiten die thans ter beoordeling voorliggen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Hoeveel deze vordering in beginsel toewijsbaar is, omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarden heeft overtreden, is de rechtbank, met de officier en de raadsman van oordeel dat, gelet op het feit dat de bewezenverklaarde feiten geheel andere feiten betreffen dan het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 15-290147-23, het niet opportuun om tot toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging over te gaan. De vordering wordt daarom afgewezen.

Parketnummer 81-295762-23

Bij vonnis van 19 januari 2024 in de zaak met parketnummer 81-295762-23 heeft de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op 3 jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 7 februari 2024 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 3 februari 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering af te wijzen. Het feit waarop de voorwaardelijke veroordeling betrekking heeft is van een geheel andere aard dat de feiten die thans ter beoordeling voorliggen. Tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf zou bovendien betekenen dat de verdachte alsnog voor een substantiële periode terug moet in detentie, waardoor het gevolg intreedt waarvan de verdediging bij de strafoplegging de rechtbank heeft verzocht om daarvan af te zien.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarden heeft overtreden.

De rechtbank is van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met één jaar, nu het toewijzen van de vordering tot tenuitvoerlegging op dit moment niet is aangewezen, mede gelet op de duur van de gevangenisstraf die zij in de onderhavige strafzaak aan de verdachte zal opleggen. De rechtbank zal wel bepalen dat de door de economische politierechter gestelde voorwaarde ongewijzigd blijft.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 55, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (zegge: vier en twintig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zegge: zes maanden) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102, 1824 DX te
Alkmaar. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de
reclassering. Diagnostiek maakt deel uit van de behandeling. De behandeling duurt zolang de
reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk en/of het volgen van een
opleiding, met een vaste structuur.
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2].

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt een week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 41.272,92 (eenenveertigduizendtweehonderdtweeënzeventig euro en tweeënnegentig eurocent), bestaande uit € 26.272,92 als vergoeding voor de materiële en € 15.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 18.622,92 vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan

[het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.272,92, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 195 dagen gijzeling en bepaalt dat een gedeelte van het te betalen bedrag, te weten een bedrag van € 18.622,92, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing op de vorderingen tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2023 in de zaak met parketnummer 15-290147-23 opgelegde voorwaardelijke straf.

Verlengt de bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 81-295762-23 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met één jaar.

Beslissing over de voorlopige hechtenis

Wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis en wijst ook af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.S. Schoorl, voorzitter,

mr. S. Mac Donald en mr. M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2026.

mr. Van Doesburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.