Belastingrecht

Eiser drijft een AGF-onderneming. In 2018 doet hij dat tot en met 31 juli in de vorm van een eenmanszaak…

Rechtbank Noord-Nederland, 15 juni 2023

Zaakgegevens

Op 15 juni 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
15 juni 2023
Datum publicatie
8 juni 2023
Zaaknummer
22/2461 en 2462
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2023:2313
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiser drijft een AGF-onderneming. In 2018 doet hij dat tot en met 31 juli in de vorm van een eenmanszaak, daarna in de vorm van een B.V. De Belastingdienst start in 2018 een boekenonderzoek naar de aangiften OB van de eenmanszaak. Hiervan is een controlerapport. De FIOD heeft ook onderzoek gedaan naar mogelijke belastingfraude m.b.t. de aangegeven OB en eiser wordt uiteindelijk strafrechtelijk veroordeeld. Eiser doet geen aangifte IB/PVV en Zvw 2018 hoewel hij daarvoor was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. De inspecteur legt een ambtshalve aanslag op naar een geschatte winst van € 194.614. In bezwaar verlaagt de inspecteur de geschatte winst met € 150.000. De rechtbank stelt vast dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan en de bewijslast dus wordt omgekeerd en verzwaard. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen onjuist zijn en de schatting van de inspecteur is een redelijke schatting. Ook de verzuimboete is terecht. Eiser stelt wel dat hij in de veronderstelling was dat zijn adviseur de aangifte in zou dienen, maar dit levert geen avas op. Eiser heeft niet alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om ervoor te zorgen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend. De beroepen zijn ongegrond.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 15 juni 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RBNNE:2023:2313

  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 12 november 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:6956

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 22/2461 en 22/2462


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 juni 2023 in de zaken tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

De inspecteur van de Belastingdienst / kantoor Groningen, de inspecteur

(gemachtigde: [gemachtigde van de inspecteur] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 mei 2022.

De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 239.614 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) berekend naar een bijdrage-inkomen € 46.279.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser een verzuimboete van € 369 opgelegd.

De inspecteur heeft de bezwaren van eiser gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.941 en de aanslag Zvw verminderd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 44.606.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 1 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens verweerder mr. [medewerker Belastingdienst 1] , bijgestaan door [medewerker Belastingdienst 2] .

Feiten

2.1.

Eiser drijft sinds 2013 een onderneming in groente en fruit. In het jaar 2018 doet hij dat tot en met 31 juli in de vorm van een eenmanszaak, [naam eenmanszaak] . Vanaf 1 augustus 2018 wordt de onderneming gedreven in de vorm van een B.V., [X] B.V. Eiser heeft 50% van de aandelen in deze B.V.

2.2.

In 2018 is de Belastingdienst een boekenonderzoek gestart naar de aangiften omzetbelasting van de eenmanszaak van eiser. Dat onderzoek heeft geresulteerd in een (aanvullend) controlerapport van 10 december 2019.

2.3.

De FIOD heeft ook een strafrechtelijk onderzoek gedaan naar mogelijke belastingfraude met betrekking tot de door de eenmanszaak aangegeven omzetbelasting over de periode januari 2014 tot en met 31 juli 2018. Dit heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling van eiser door de rechtbank Overijssel bij vonnis van 13 augustus 2020. De strafrechter heeft bewezen geacht dat eiser in deze periode opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan en dat hij in de periode 1 januari 2014 tot en met 25 februari 2019 opzettelijk geen zodanige administratie heeft gevoerd als hij verplicht was te voeren.

2.4.

Eiser heeft voor het jaar 2018 geen aangifte IB/PVV gedaan, hoewel hij daarvoor was uitgenodigd (28 februari 2019), herinnerd (27 juli 2020) en aangemaand (26 augustus 2020). De uiterste reactiedatum was 9 september 2020.

2.5.

Op 31 juli 2021 heeft de inspecteur aangekondigd dat hij ambtshalve een aanslag IB/PVV 2018 op zou leggen.

2.6.

Met dagtekening 25 augustus 2021 zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd voor 2018. Het inkomen in box 1, tevens verzamelinkomen, is daarbij vastgesteld op € 239.614 en het bijdrage inkomen Zvw op € 194.614. Het verzamelinkomen is als volgt onderverdeeld:

Winst uit onderneming € 194.614

Loon uit dienstbetrekking € 45.000 +

€ 239.614

2.7.

Eiser heeft bezwaar gemaakt en heeft in de bezwaarfase alsnog aangifte IB/PVV 2018 gedaan. Daarbij heeft hij het volgende aangegeven:

Winst uit onderneming € 41.831 negatief

Loon uit dienstbetrekking € 8.335 +

€ 33.496 negatief

2.8.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het inkomen in box 1 als volgt vastgesteld:

Winst uit onderneming € 44.606

Loon uit dienstbetrekking € 8.335 +

€ 52.941

2.9.

Het bedrag van € 44.606 heeft de inspecteur volgens het controlerapport als volgt berekend:

Omzet

€ 305.500

Inkoopkosten

€ 226.300

Autokosten

€ 4.867

Overige kosten

€ 22.466

Totale kosten

€ 253.633

- € 253.633

Resultaat

€ 51.867

Zelfstandigenaftrek

€ 0

Startersaftrek

€ 0

MKB-winstvrijstelling 14%

- € 7.261

Resultaat

€ 44.606

2.10.

De omzet van € 305.500 heeft de inspecteur volgens het controlerapport berekend aan de hand van de inkoopfacturen vermenigvuldigd met een bruto winstmarge van 35%. Dat ziet er als volgt uit:

Inkoop

€ 47.143

Inkoop

€ 179.153

Subtotaal

€ 226.296

35% winstmarge

€ 79.204

Theoretische omzet

€ 305.500

2.11.

De FIOD heeft tijdens het onderzoek (zie 1.3.) handgeschreven lijsten in beslag genomen waarop eiser per markt de omzet noteerde. Uit die lijsten volgt voor 2018 tot en met 31 juli de volgende omzet:

Wk

[plaats A] wo

[plaats B]

[plaats C]

[plaats D]

[plaats E]

[plaats A] za

Totaal

1

2000

1000

1400

1000

6000

2

3000

1200

2000

1200

5000

3

1700

1000

1000

1000

4100

4

2700

1850

1000

4500

5

1600

900

1650

1200

4100

6

2100

950

1550

1000

4000

7

2100

850

1300

1000

5500

8

2000

850

1650

800

3000

9

1500

4700

10

2300

800

1850

1700

4500

11

2600

1050

1650

1030

5000

12

2700

1050

1850

3200

13

2000

200

1200

2000

850

5800

14

2200

1500

5200

6000

15

4000

2800

1500

2400

850

6200

16

4000

1500

2550

1250

6600

17

4000

2300

1200

18

5400

1500

3450

1400

6600

19

5200

1450

7100

20

4000

3200

1550

7200

21

2700

2500

3700

1630

8200

22

4500

2800

3450

1500

7200

23

5200

3700

1450

6900

24

4800

2400

3700

1550

7200

25

4800

3200

1500

7700

26

5800

2700

3600

1500

7800

27

6000

3450

1000

7000

28

6000

3400

1500

7100

29

6000

3200

6950

30

6000

3000

7200

Totaal

108900

14900

13850

69550

31110

177550

415860

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2018 niet tot te hoge bedragen heeft vastgesteld en of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Heeft eiser de vereiste aangifte gedaan? En zo nee, moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?

3. Een ieder die door de inspecteur is uitgenodigd om aangifte te doen, moet binnen de door de inspecteur gestelde termijn aangifte doen. Als iemand dat niet doet, heeft diegene de vereiste aangifte niet gedaan en kan de inspecteur de aanslag opleggen aan de hand van een schatting van het inkomen. Ook wordt in dat geval de bewijslast dat de aanslag juist is vastgesteld omgekeerd en verzwaard.

4. Het staat vast dat eiser door de inspecteur is uitgenodigd om aangifte IB/PVV en Zvw voor het jaar 2018 te doen. Eiser heeft naar aanleiding van deze uitnodiging geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft eiser daarna herinnerd en aangemaand om aangifte te doen (zie 1.4.). Eiser heeft vervolgens niet alsnog binnen de daartoe gestelde termijnen een aangifte ingediend. Eiser heeft daarom niet de vereiste aangifte gedaan. Eiser zegt daarover dat hij niet wist dat er geen aangifte is gedaan, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn adviseur de aangifte voor hem zou verzorgen. Deze stelling van eiser kan nergens toe leiden. Kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat moeten namelijk aan de belastingplichtige worden toegerekend. Dit betekent dat de door eiser gestelde nalatigheid van zijn adviseur in dit geval voor risico van eiser komt.

5. Omdat de vereiste aangifte niet is gedaan, moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaart, tenzij eiser overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dat betekent niet dat de inspecteur de aanslagen naar willekeur mag vaststellen. Hij moet een redelijke schatting van het inkomen maken.

Heeft eiser overtuigend aangetoond dat de aanslag onjuist is en heeft de inspecteur het inkomen redelijk geschat?

6. Uit de dossierstukken leidt de rechtbank af dat de hoogte van het looninkomen uit de B.V. voor het jaar 2018 tussen partijen niet in geschil is. De rechtbank zal daarom alleen de redelijkheid van de geschatte winst die eiser in 2018 heeft behaald met zijn eenmanszaak beoordelen.

7. De inspecteur heeft de door hem geschatte winst die eiser in 2018 met zijn eenmanszaak heeft behaald berekend door aan de hand van de inkoopfacturen van eiser eerst de totale inkoop van eiser in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 juli 2018 te berekenen. De door eiser met die inkopen behaalde bruto winst heeft de inspecteur vervolgens berekend door uit te gaan van een in de handel die eiser dreef gebruikelijk brutowinstpercentage van in dit geval 35%. Van deze bruto winst heeft de inspecteur daarna de kosten afgetrokken zoals die genoemd zijn in de stukken die van eiser zelf afkomstig zijn (zie 1.9. en 1.10.). De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur met deze berekening een redelijke schatting van de winst van de eenmanszaak heeft gemaakt. De rechtbank merkt hierbij nog op dat uit de door de FIOD in beslag genomen administratie van eiser nog een veel hogere gerealiseerde omzet in de periode 1 januari tot en met 31 juli 2018 volgt. De door de inspecteur geschatte omzet lijkt daardoor zelfs nog te laag te zijn.

8. Eiser heeft gesteld dat hij in de periode van de eenmanszaak in 2018 enkel verlies heeft geleden. Volgens eiser heeft hij een deel van zijn inkoop namelijk met verlies verkocht. Eiser heeft voor deze stelling geen enkel bewijs overgelegd. Eiser heeft weliswaar enige (jaar)stukken overgelegd, maar die zien op de periode waarin de onderneming werd gedreven in de vorm van een B.V., maar niet op de periode van de eenmanszaak waar het nu om gaat. De door eiser overgelegde stukken kunnen daarom geen bewijs vormen voor het standpunt van eiser. Eiser heeft daarom niet het van hem verlangde bewijs geleverd waaruit volgt dat geen sprake is van een redelijke schatting en dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2018 niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

Heeft de inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd?

10. Het niet (tijdig) doen van aangifte vormt een beboetbaar feit waarvoor een zogenaamde verzuimboete kan worden opgelegd. De verzuimboete bedraagt in beginsel 7% van het wettelijk maximum van € 5.278, dus € 369. Bij het opleggen van een verzuimboete speelt de mate van verwijtbaarheid geen rol. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) moet een verzuimboete achterwege blijven. Van avas is sprake als eiser in de gegeven omstandigheden alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om ervoor te zorgen dat de aangifte IB/PVV zou worden ingediend. De bewijslast dat dit het geval is, rust op eiser.

11. De rechtbank begrijpt eisers stelling dat hij in de veronderstelling was dat zijn adviseur de aangifte in zou dienen als een beroep op avas. De rechtbank is van oordeel dat het enkel overlaten aan de adviseur zonder zelf de vinger aan de pols te houden geen avas oplevert. Nog daargelaten dat eiser geen bewijs heeft overgelegd waaruit volgt dat hij inderdaad met zijn adviseur had afgesproken dat deze de aangifte zou doen, heeft eiser kennelijk ook nooit navraag gedaan naar de stand van zaken rondom de aangifte terwijl hij wel wist dat er aangifte moest worden gedaan. Eiser heeft dan ook niet alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om ervoor te zorgen dat de aangifte (tijdig) zou worden ingediend. Andere feiten of omstandigheden die tot matiging van de verzuimboete moeten leiden, zijn niet gesteld of aannemelijk geworden. Gelet hierop acht de rechtbank de verzuimboete van € 369 passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2018 en de verzuimboete in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier, op 15 juni 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

w.g. griffier

w.g. rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663. Dit staat in artikel 27e, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Zie Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663 en Hoge Raad 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566.