Belastingrecht

Wet WOZ. Huidige gebruik als bosgrond doet niet af aan de bestemming reactiewoning. WOZ-waarde wel verlaagd…

Rechtbank Noord-Nederland, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 25/751
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3289
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet WOZ. Huidige gebruik als bosgrond doet niet af aan de bestemming reactiewoning. WOZ-waarde wel verlaagd in beroepsfase, sprake van erfdienstbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/751


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 6 augustus 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam 1] )

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 februari 2025.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (voormalig nr. [nummer] ) (het perceel) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) voor belastingjaar 2024 vastgesteld op € 82.000 (de beschikking).

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en heeft daarbij de waarde van het perceel verlaagd naar € 68.000.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 2] .

Feiten

2.

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van het perceel. Het perceel heeft een oppervlakte van 1.375 m².

2.2.

Volgens het bestemmingsplan Norgerduinen heeft het perceel de bestemming Bos met aanduiding recreatiewoning.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van het perceel niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

4. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".

4.1.

De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak, in dit geval het perceel, niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar op de zitting een lagere waarde voorstaat dan in de uitspraak op bezwaar is opgenomen. Gelet daarop is het beroep gegrond. De rechtbank zal hierna beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat een WOZ-waarde van € 63.000 voor het perceel niet te hoog is.

5. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het door hem overgelegde overzicht en de door hem gegeven toelichting op de zitting, in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde van € 63.000 niet te hoog is vastgesteld.

Hoe is de rechtbank tot dit oordeel gekomen?

6. Belanghebbende is van mening dat het perceel niet meer waard kan zijn € 29.000, omdat het slechts een stuk bosgrond betreft. Belanghebbende stelt verder dat er onvoldoende rekening is gehouden met het ontbreken van nutsvoorzieningen op het perceel en met de erfdienstbaarheid die rust op het perceel.

7. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de WOZ-waarde een taxatiematrix overgelegd, waarin de waarde van het perceel is vastgesteld op € 68.000. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat de waarde moet worden bijgesteld naar € 63.000, omdat er geen rekening is gehouden met een aftrek voor de erfdienstbaarheid. In de matrix zijn de verkoopcijfers van vier nabijgelegen percelen, allen bestemd voor de (sloop en nieuw)bouw van een recreatiewoning met toebehoren, opgenomen. De prijzen per vierkante meter variëren van € 114 tot € 250.

8. De rechtbank acht de gebruikte percelen in de matrix voldoende vergelijkbaar met het perceel van belanghebbende. Uit de matrix volgt dat de gemiddelde vierkante meterprijs van percelen waarmee wordt vergeleken € 171 per m² is. Dit is aanzienlijk hoger dan de
€ 50 per m² van het perceel van belanghebbende. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende rekening is gehouden met onderlinge verschillen, zoals het ontbreken van nutsvoorzieningen.

8.1.

De stelling van belanghebbende dat het perceel een lagere waarde heeft, omdat hij het enkel gebruikt als bosgrond, volgt de rechtbank niet. Het perceel wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (4.). Dit is een objectieve waardebepaling. Op het perceel rust de bestemming ‘Bos met aanduiding recreatiewoning’ (2.1). Dat belanghebbende zelf het perceel enkel als bosgrond gebruikt, is geen waardedrukkend effect voor de Wet WOZ. Een koper kan namelijk wel een recreatiewoning laten bouwen op het perceel gelet op de bestemming. De rechtbank is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen aftrek heeft toegepast voor het huidige feitelijke gebruik van het perceel als bosgrond.

8.2.

Op de zitting is (voor het eerst) aan het licht gekomen dat op het perceel een erfdienstbaarheid rust ten behoeve van [adres] (voormalig nummer [nummer] ). De heffingsambtenaar had hier bij het vaststellen van de WOZ-waarde nog geen rekening mee kunnen houden. Op de zitting heeft hij verklaard dat een aftrek van € 5.000 van toepassing is voor de erfdienstbaarheid. Belanghebbende heeft de hoogte van deze aftrek verder niet betwist. De heffingsambtenaar heeft gelet op de aftrek verklaard dat de waarde moet worden bijgesteld naar € 63.000 (zie 7.).

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat heffingsambtenaar in zijn bewijslast is geslaagd dat de WOZ-waarde van € 63.000 (na de toepassing van de aftrek voor de erfdienstbaarheid) niet te hoog is vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond (4.2). De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en stelt de WOZ-waarde van het perceel voor het jaar 2024 vast op € 63.000.

10.1.

Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Het is de rechtbank niet gebleken dat belanghebbende proceskosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van het perceel tot een bedrag van € 63.000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 6 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44