Belastingrecht

WOZ/afvalstoffenheffing. De heffingsambtenaar heeft de waarde aannemelijk gemaakt. Woning afgesloten van…

Rechtbank Noord-Nederland, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
LEE 24/5033
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3388
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WOZ/afvalstoffenheffing. De heffingsambtenaar heeft de waarde aannemelijk gemaakt. Woning afgesloten van water en stroom. De heffingsambtenaar heeft voldoende rekening gehouden met waardeverminderende omstandigheden d.m.v. correcties op de KOUDV en een extra afwaardering van € 150.000 op de waarde. Voor de vraag of de afvalstoffenheffing moet worden betaald maakt niet uit of daadwerkelijk van de dienst gebruik wordt gemaakt. Evenmin maakt het uit dat door eiser alleen de grijze container wordt gebruikt en dat hij voor het ophalen van grof huishoudelijk afval een commerciële afvalinzamelaar moet inschakelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 24/5033 en 25/1501


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Terschelling, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 november 2024.

Zaaknummer LEE 24/5033

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak
[adres 1] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023
(de waardepeildatum) voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 506.000
(de WOZ-beschikking).

Zaaknummer LEE 25/1501

1.2.

De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het belastingjaar 2024 een aanslag afvalstoffenheffing van € 242,21 opgelegd (de aanslag).

Beide zaaknummers

1.3.

De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [taxateur] (taxateur).

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning uit 1989 met een oppervlakte van 166 m², een garage van 30 m², een vrijstaande berging van 170 m² en een kavel van 3.175 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de onroerende zaak en de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde en de aanslag niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De WOZ-waarde

5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet Waardering onroerende zaken wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".

6. De heffingsambtenaar moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar een referentiematrix (de matrix) overgelegd, waarin de verkoopcijfers van de volgende referentiewoningen, gelegen op Terschelling, zijn opgenomen:

  • [adres 2] in Hoorn, verkocht op 1 december 2022 voor € 605.200;

  • [adres 3] in Midsland, verkocht op 2 september 2022 voor € 650.000; en

  • [adres 3] in Baaiduinen, verkocht op 2 februari 2022 voor € 600.000.

7. De rechtbank overweegt dat de in de matrix opgenomen referentiewoningen geschikt zijn om de waarde te onderbouwen. De referentiewoningen zijn wat betreft objecttype, uitstraling en overige kenmerken voldoende vergelijkbaar met de onroerende zaak. Het zijn alle drie woningen in matige staat. Met de onderlinge verschillen is rekening gehouden in de KOUDV-factoren. De woning [adres 4] is, anders dan eiser meent, in de beroepsfase niet (meer) in de vergelijking betrokken. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase namelijk andere referentiewoningen gebruikt dan in de bezwaarfase.

8. Eiser heeft ter zitting een beknopt verslag gedaan van de situatie waarin hij zich bevindt. Eiser heeft toegelicht dat zijn woning sinds twee jaren volledig is afgesloten van water en stroom en dat hij geen toegang heeft tot de aansluiting, die zich bevindt in de aan zijn woning grenzende houtzagerij. Dit heeft onder andere tot gevolg dat het in de winterperiode erg koud is en dat er schimmel in de woning is ontstaan. Eiser heeft verder aangegeven dat hij geen inkomsten heeft en dat dit het betalen van de aanslag bemoeilijkt. De situatie heeft een grote impact op zijn leven, aldus eiser. Ondanks dat het gemeentelijke eilandteam zich over de problematiek heeft gebogen, heeft eiser op dit moment nog steeds geen eigen water- en stroomaansluiting.

9. De rechtbank begrijpt dat de situatie waarin eiser zich bevindt allerminst rooskleurig is, maar zij is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de onder 8. genoemde omstandigheden – voor zover die van invloed kunnen zijn op de waarde van de onroerende zaak – voldoende rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat hij er voor de waardebepaling van uit is gegaan dat de onroerende zaak, net als de referentiewoning in Baaiduinen, na aankoop gesloopt zal worden. Het kwaliteits- en voorzieningenniveau van het woondeel zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank in de matrix terecht beoordeeld met een 1 (slecht) en de onderhoudstoestand met een 2 (matig). De rechtbank overweegt dat dit resulteert in een correctie van 25% op de gemiddelde eenheidsprijs van de referentiewoningen. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar nog een afwaardering van € 150.000 (circa 20%) toegepast op de waarde van de onroerende zaak in verband met een drietal omstandigheden: er is geen eigen stroomaansluiting, de vorm van het perceel (een grote L-vorm) is niet voor de hand liggend en de aan de woning van eiser grenzende schuur is in gebruik bij de houtzagerij. Hoewel de ligging van de onroerende zaak niet hetzelfde is als die van de referentiewoningen in Hoorn en Midsland, is de rechtbank van oordeel dat dit aspect is meegenomen in de waardecorrectie van € 150.000 en in de beoordeling van de ligging in de matrix als gemiddeld.

10. De rechtbank overweegt dat, hoewel het lastig is om de waardeverminderende factoren in cijfers uit te drukken, de heffingsambtenaar daarmee met de onder 9. genoemde correcties voldoende rekening heeft gehouden.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de onroerende zaak naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.

De aanslag

12. Aan de aanslag afvalstoffenheffing ligt de Verordening op de heffing en invordering van de Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten 2020 (de Verordening) van de gemeente Terschelling ten grondslag, waarvan de bepalingen, voor zover hier van belang, luiden:

“Artikel 3 Aard van de belasting en belastbaar feit

(…)

2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.21 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(…)”

13. De voor het onderhavige geschil relevante bepalingen uit de (toenmalige) Wet milieubeheer (de Wmb) luiden:

“Artikel 10.21

1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

(…)

Artikel 15.33

1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

(…)”

14. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 4 van de Verordening een aanslag afvalstoffenheffing kan opleggen aan degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wmb een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Op grond van de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wmb bestaat er een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen indien bij het perceel huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Door eiser wordt het gebruik van het perceel niet betwist en ook niet dat daar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Eiser is dus belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing.

15. Anders dan eiser meent, maakt het voor de vraag of de afvalstoffenheffing moet worden betaald niet uit of daadwerkelijk van de dienst (het ophalen en verwerken van huishoudelijk afval) gebruik wordt gemaakt. Evenmin maakt het uit dat door eiser alleen de grijze container wordt gebruikt en dat hij voor het ophalen van grof huishoudelijk afval een commerciële afvalinzamelaar moet inschakelen. Uit paragraaf 1.1 van de bijlage “Tarieventabel 2024 behorend bij Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten 2020” volgt dat er per perceel € 242,21 wordt geheven. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag daarom terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de WOZ-waarde van de onroerende zaak en de aanslag niet op een te hoog bedrag vastgesteld. De rechtbank wenst te benadrukken dat de heffingsambtenaar op de zitting heeft aangegeven dat een betalingsregeling, afgestemd op de financiële situatie van eiser, mogelijk is.

17. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-beschikking en de aanslag in stand blijven. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.M. Antonescu, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 7 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44 Kwaliteit, Onderhoud, Uitstraling, Doelmatigheid en Voorzieningen.