Bestuursrecht overig
Mondelinge uitspraak. Algemene wet bestuursrecht. Spoedeisende bestuursdwang wegens een gevaarlijke situatie…
Rechtbank Noord-Nederland, 24 april 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3282 · Rechtbank Noord-Nederland · 24 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/mondelinge-uitspraak/ecli-nl-rbnne-2026-3282
Zaakgegevens
Op 24 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 24 april 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- LEE 25/346
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Mondelinge uitspraakMondelinge uitspraakDe rechter doet direct aan het eind van de zitting uitspraak; die wordt vastgelegd in een proces-verbaal.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3282
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. Algemene wet bestuursrecht. Spoedeisende bestuursdwang wegens een gevaarlijke situatie. Het college heeft de losliggende bakstenen terecht verwijderd en mocht toepassing geven aan artikel 5:31, tweede lid, van de Awb. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/346
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigde: mr. R. Bakker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toepassing van spoedeisende bestuursdwang door het college door een aantal bakstenen te verwijderen.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 12 december 2024 op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het college spoedeisende bestuursdwang heeft mogen toepassen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is er gebeurd?
4. Naar aanleiding van een melding van een omwonende is er door medewerkers van de gemeente bij het pand van eiser aan de [straat] een onderzoek ingesteld. De bevindingen en handelingen van deze medewerkers zijn in een rapport vastgelegd. Er zijn ook foto’s bijgevoegd. Op 22 augustus 2024 zijn er veertien losliggende bakstenen verwijderd. De stenen zijn in de schuur bij de woning achtergelaten. Door het college zijn er geen kosten voor de verwijdering op eiser verhaald.
Beoordeling van de beroepsgronden
5. Eiser heeft gesteld dat er onder valse voorwendselen spoedeisende bestuursdwang is toegepast door het college. Namens het college is aangevoerd dat eiser die stelling niet heeft onderbouwd en dat de stelling ook niet juist is.
6. De rechtbank is met verweerder eens dat de stelling niet onderbouwd is door eiser. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat sprake is van valse voorwendselen. Er is ook geen reden om aan te nemen dat er sprake is van datumvervalsing, zoals eiser stelt. In de rapportage staat heel precies beschreven wat de medewerkers van de gemeente gedaan hebben, dat er nog getracht is eiser te bereiken om de situatie te bespreken en eiser is zorgvuldig geïnformeerd door het college.
7. Eiser stelt dat er geen reden was om spoedeisende bestuursdwang toe te passen en dat de stenen er al jaren zo lagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de beschikbare gegevens in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat er sprake was van een gevaarlijke situatie en dat verwijdering van de stenen noodzakelijk was om schade of letsel te voorkomen. Verweerder heeft mogen uitgaan van het op ambtseed opgemaakte rapport van medewerkers van de gemeente. Daaruit blijkt heel duidelijk dat sprake was van losliggende bakstenen en dat de situatie als gevaarlijk ingeschat werd. Twee dagen later, op 22 augustus 2024 zijn de stenen verwijderd. Er was sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 5:31, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. Dat wil zeggen: er mocht spoedeisende bestuursdwang toegepast worden.
8. Het college heeft daarbij voldoende zorgvuldig gehandeld. Er is vooraf geprobeerd om met eiser in contact te komen. De stenen zijn verwijderd en in de schuur achtergelaten. Op diezelfde dag nog is een besluit bij eiser bezorgd, zoals de wet dat voorschrijft.
9. De rechtbank wijst er nog op dat de vrees van eiser voor oplegging van een dwangsom in deze procedure niet relevant is. Dit geldt ook voor mogelijk andere voornemens van de gemeente om eiser te vragen om het onderhoud van zijn woningen te verbeteren. Er zijn geen kosten voor de verwijdering van de stenen op eiser verhaald en verweerder is dat ook niet van plan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor vergoeding van het betaalde griffierecht of proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van K. Lenting, griffier.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.