Socialezekerheidsrecht

Wmo 2015. Vovo. Er is geen spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu de…

Rechtbank Noord-Nederland, 13 maart 2026

Zaakgegevens

Op 13 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
13 maart 2026
Datum publicatie
1 april 2026
Zaaknummer
26/570
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:1055
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wmo 2015. Vovo. Er is geen spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu de indicatie beëindigd is en van een financiële noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen niet is gebleken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/570


uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen


[naam uit woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, het college

(gemachtigde: mr. M.S. Smith).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Het college heeft met het besluit van 22 augustus 2025 beslist dat verzoeker in aanmerking komt voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 over de periode van 31 juli 2025 tot en met 30 juli 2027 (de indicatie). Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dit besluit gebleven.

1.2.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.1.

Verzoeker verbleef in het kader van de indicatie bij de vestiging van de [instelling] in Groningen. Op 30 december 2025 heeft verzoeker van een medewerkster van deze Stichting een time-out en een pandverbod uitgereikt gekregen vanwege het schenden van de voorwaarden voor het verblijf. Op uitdrukkelijk verzoek van verzoeker heeft het college met het besluit van 19 februari 2026 de indicatie per 12 februari 2026 ingetrokken.

3.2.

Het bezwaar van verzoeker is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen procesbelang had. Enkel het onderzoeksverslag van 30 juli 2025 maakt onderdeel uit van het besluit van 22 augustus 2025. Dat is waarom verzoeker bezwaar had gemaakt.

3.3.

Verzoeker wil in deze procedure bereiken dat de indicatie wordt beëindigd per 29 december 2025, waarbij het spoedeisend belang voor hem gelegen is in een mogelijke hogere eigen bijdrage die het CAK zal innen en de voor hem bestaande rechtsonzekerheid.

4. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu de indicatie beëindigd is en van een financiële noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen niet is gebleken. De door verzoeker gestelde rechtsonzekerheid – wat daar verder ook van zij – leent zich niet voor een beoordeling in het kader van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

5. Hieruit volgt dat het verzoek kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Algemene wet bestuursrecht.