Socialezekerheidsrecht

AOW vovo. Inhouding op AOW-pensioen. De Svb heeft ter zitting toegezegd de invordering op te schorten…

Rechtbank Noord-Nederland, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
29 september 2026
Zaaknummer
LEE 26/2909
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4125
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AOW vovo. Inhouding op AOW-pensioen. De Svb heeft ter zitting toegezegd de invordering op te schorten. Verzoek afgewezen, wel vergoeding proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/2909


uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 september 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigden: mr. S. Venema en mr. C.A. van der Vlist).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Verzoeker ontvangt een AOW-pensioen. Met het besluit van 21 mei 2026 heeft de Svb bepaald dat op de AOW-pensioen van verzoeker vanaf juni 2026 elke maand een bedrag wordt ingehouden ter hoogte van € 1.122,12.

1.2.

Met het besluit van 2 september 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft de Svb bepaald dat vanaf september 2026 een bedrag van € 1.040,- wordt ingehouden op zijn AOW-pensioen.

1.3.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De Svb heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de Svb.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De Svb heeft op de zitting verklaard dat zij de uitvoering van het besluit opschort tijdens de beroepsprocedure (LEE 26/2910). Daardoor is er geen spoedeisend belang meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

3. De Svb is met de opschorting van de invordering aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te kennen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is geen sprake. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de Svb in de proceskosten te veroordelen toe.

3.1.

De proceskosten bestaan uit de reiskosten van verzoeker. Deze zijn vastgesteld op € 50,93. Daarnaast moet de Svb het griffierecht van € 54,- vergoeden.

4.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • bepaalt dat de Svb het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;

  • veroordeelt de Svb tot betaling van € 51,58 aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.