Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 36 maanden.
Op basis van de uiterlijke verschijningsvormen kan worden vastgesteld dat verdachte als medepleger betrokken was bij het ophalen van de in de vrachtwagen ingeladen spullen en wetenschap had van de aanwezigheid van de goederen in de loods. Uit de getuigenverklaring van [getuige] blijkt dat de mannen in de vrachtwagen en de Polo gezamenlijk optrokken. Ook werd DNA van verdachte op een flesje in de vrachtwagen aangetroffen. Daarnaast maken de camerabeelden duidelijk dat de personen in voornoemde voertuigen samen aankwamen, enkele uren bij de loods aanwezig waren en samen weer weggingen.
Klaarblijkelijk hadden zij toegang tot die normaliter afgesloten loods. Daarbij is van belang dat allen de strafbare situatie in stand lieten en op geen enkel moment de autoriteiten hebben ingeschakeld waardoor de illegale toestand kon blijven voortduren. Aldus had verdachte, net als de medeverdachten, wetenschap van en een zekere beschikkingsmacht over de methamfetamine en de aan (de) drugs(productie) gerelateerde chemicaliën en goederen (hierna: harddrugs, stoffen en goederen).
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2, aangezien het dossier geen enkel concreet bewijs bevat dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de harddrugs, stoffen en goederen.
Aan de hand van de beschrijving van de camerabeelden van 31 januari 2024 aan [adres] in Groningen en de herkenning van verdachte hierop kan het volgende worden bepaald. Omstreeks 11.28 uur rijdt een Volkswagen Polo, rijdend achter een vrachtwagen van het verhuurbedrijf [bedrijf] (met kenteken [kenteken] ), het bedrijventerrein op en parkeert de Volkswagen Polo naast de voormelde vrachtwagen. Na tien minuten stappen twee personen uit de Volkswagen Polo. Vanaf 12.54 uur lijkt het erop alsof de man die nadien is herkend als zijnde verdachte contact maakt met degene die zit op de bestuurdersstoel in de cabine van de vrachtwagen. Dit leidt de rechtbank af uit de camerabeelden waarop is te zien dat verdachte kijkt in de richting van de cabine en er vanuit de cabine een arm omhoog en naar beneden gaat. Om 12.58 uur is verdachte met de Volkswagen Polo van de parkeerplek weggereden en om 14.25 uur komt dezelfde Volkswagen Polo het terrein weer opgereden en wordt wederom in de nabijheid van de hiervoor genoemde vrachtwagen geparkeerd. Vanaf 14.42 uur rijden beide voertuigen ongeveer een minuut na elkaar het parkeerterrein af en de openbare weg op (waarbij de vrachtwagen werd gevolgd door de Volkswagen Polo).
11.33
uur, 13.29 uur en 14.03 uur de mast aan [adres] in Groningen heeft aangestraald.
De politie is bij de loods aan [adres] te Groningen ter plaatse gekomen. De bestuurder en bijrijder van de vrachtwagen van het verhuurbedrijf [bedrijf] (met kenteken [kenteken] ) zijn op de A6 ter hoogte van afrit Almere Buiten-Oost aangehouden. Zowel in de vorenbedoelde loods als in de betreffende vrachtwagen zijn door de politie de onder 1 en 2 ten laste gelegde harddrugs, stoffen en goederen gevonden.
Vrijspraakoverweging
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft in een ter zitting overgelegde brief kort samengevat het volgende verklaard. Op 31 januari 2024 is hij samen met een vriend naar een garage in Groningen gereden om een auto te bekijken. Toen hen vervolgens daar bij aankomst werd verteld dat die auto pas die middag zou komen, bleven zij op het industrieterrein hangen. Zij hebben daar inderdaad een vrachtwagen gezien en met de mensen die daar rondliepen gepraat. Tussendoor hebben zij eten en drinken voor henzelf en de mensen van de vrachtwagen gehaald waarna zij rond half drie naar Amsterdam zijn teruggereden. Pas later hoorde verdachte dat de vrachtwagen door de politie was aangehouden en dat er drugs in de vrachtwagen waren aangetroffen.
Alhoewel de rechtbank deze verklaring van verdachte onaannemelijk acht, gezien de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, kan op basis van de stukken in het dossier niet worden bepaald dat verdachte daadwerkelijk in de loods of vrachtwagen alwaar de harddrugs, stoffen en goederen zijn aangetroffen is geweest. Op grond van de camerabeelden en de telefoongegevens kan namelijk alleen worden vastgesteld dat verdachte op 31 januari 2024 in de Volkswagen Polo vrijwel gelijktijdig met de vrachtwagen in de buurt van de loods aan [adres] is gearriveerd én vertrokken. Verder kan worden vastgesteld dat hij (in totaal, maar niet onafgebroken) enkele uren in de buurt van deze locatie aanwezig is geweest, waarbij hij eenmaal interactie met een van de inzittenden van de vrachtwagen lijkt te hebben gehad.
Beide vaststellingen brengen niet met zich mee dat kan worden bepaald dat verdachte in de loods of vrachtwagen is geweest. Weliswaar is op het flesje dat in de laadruimte van de vrachtauto lag een DNA-hit van verdachte aangetroffen, echter kan daaruit niet worden afgeleid dat verdachte zich werkelijk op enig moment in die ruimte heeft bevonden. Immers, niet kan worden uitgesloten dat een ander het daarnaartoe heeft verplaatst.
Voorts is uit de verklaringen van getuige [getuige] en medeverdachte [medeverdachte] gebleken dat op 31 januari 2024 tussen 14.35 en 14.40 uur voor het gebouw aan [adres] de roldeur van de zaak van [medeverdachte] half openstond en bij de vrachtauto, die met de laadklep naar achteren stond, een paar/vier mannen zijn waargenomen die uit het pand stapten dan wel wat aan het in- of uitladen waren. Echter kan hieruit niet worden aangenomen dat verdachte een van die mannen betrof en/of dat verdachte bij het laadproces betrokken is geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de onder 1 en 2 ten laste gelegde harddrugs, stoffen en goederen, noch dat hij daarover beschikkingsmacht heeft gehad. Hieraan kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin de gevolgtrekking worden verbonden dat verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde als medepleger is aan te merken, omdat van een nauwe en bewuste samenwerking niet is gebleken.
Resumerend zal verdachte van de feiten 1 en 2 worden vrijgesproken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal dient te worden opgelegd ter hoogte van 27.985,47. De kosten die zijn gemaakt voor de ontmanteling van de productie-en opslaglocatie(s) ten bedrage van 111.941,89 dienen gelijkelijk op elk van de verdachten te worden verhaald.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering maatregel kostenverhaal geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Gelet op de vrijspraak voor feiten 1 en 2 is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak niet aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank wijst de vordering dan ook af.