Materieel strafrecht
Veroordeling van rijinstructeur wegens aanranding van een leerling. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot…
Rechtbank Noord-Nederland, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4621 · Rechtbank Noord-Nederland · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2026-4621
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 18/260931-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4621
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling van rijinstructeur wegens aanranding van een leerling. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/260931-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 oktober 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Koopmans, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.
1 Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2023 tot en met 3 april 2024 te Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door een andere feitelijkheid, te weten dat hij, verdachte, (telkens) gebruik heeft gemaakt van het leeftijdsverschil en/of het verschil in ontwikkeling en/of het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als rijinstructeur van die [slachtoffer ] en/of (telkens) gebruik heeft gemaakt van de beperkte bewegingsvrijheid die [slachtoffer ] had als bestuurster van een rijdende auto [slachtoffer ] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:
-
het wrijven/betasten/aanraken van de/een be(e)n(en), en/of
-
het aanraken/betasten/knijpen in de lies, en/of
-
het aanraken/betasten/knijpen in de borst door te zeggen dat er iets op haar shirt zit, en/of
-
het aanraken/betasten/vastpakken/knijpen in de vagina, en/of
-
het slaan op de bil
althans het aanraken van het lichaam van [slachtoffer ] en/aldus voormelde ontuchtige handeling(en) zodanig plotseling of onverhoeds heeft gepleegd/uitgevoerd dat die [slachtoffer ] niet in staat was die handeling(en) (voldoende en/of tijdig) af te weren of daartegen weerstand te bieden.
2 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en dat er voldoende steunbewijs is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitnota betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring. Allereerst stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verklaringen van aangeefster inconsistent, tegenstrijdig en vaag zijn en daarmee onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen worden gebezigd.
Daarnaast levert de getuigenverklaring van getuige [getuige] geen steunbewijs op nu niet kan worden vastgesteld dat de door de getuige waargenomen emotie bij aangeefster in causaal verband staat tot het tenlastegelegde. Ook de screenshots van de Snapchatgesprekken kunnen niet dienen als steunbewijs nu niet is vastgesteld aan wie het profiel [gebruikersnaam 3] uit het betreffende gesprek en op de betreffende datum van het screenshot toebehoort.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 15 oktober 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
U houdt de snapchatberichten verstuurd vanaf het account [gebruikersnaam 1] aan mij voor. De berichten “Hey pop hoor net dat je verhuist bent”, “En dat je niet terug komt”, “Jammerja”, heb ik naar aangeefster gestuurd op Snapchat. Ik ontken niet dat dat Snapchataccount van mij is.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 april 2024, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024089002 d.d. 18 juni 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer ] :
V: Tegen wie doe je aangifte? A: Tegen [verdachte] .
V: Waarvan doe je aangifte?
A: Aanranding, aanraken waar het niet gepast is. V: Wanneer is dit begonnen?
A: Vier maanden geleden.
V: Vertel daar eens alles over?
A: Een jaar geleden ben ik in april 2023 begonnen met rijlessen. Na een paar maanden ging ik overstappen naar [verdachte] . De eerste paar maanden was prima, daarna begon hij met de hand op mijn been te houden. Dat deed hij best wel vaak. Ik had ook twee keer per week les. Ik voelde wel dat hij zijn hand op mijn been legde en op een gegeven moment merkte ik ook dat hij zijn hand naar boven verplaatste. Hij ging steeds verder met zijn hand tussen mijn benen bij die plek. Afgelopen woensdag (De rechtbank begrijpt woensdag 3 april 2024.) deed hij het grapje met mijn borst en tikte hij mijn borst aan en kneep daarin. Bij mijn vagina heeft hij ook gezeten en kneep daar toen ook in. Onderweg tijdens koffie halen wilde ik naar de wc het liefst bij de Lidl. Hij pakte me vast tussen mijn benen en ik zei toen 'au'. Dat gebeurde eerde in de auto. Bij de koffiestop zei ik dat ik niets bij me had en dat begreep hij later pas en hij gaf toen aan via snapchat:" Nou begrijp ik daarom je zei dat je niks bij je had en dat het daarom zeer deed zeker". Ik stuurde toen terug via snapchat: "Ook". [verdachte] antwoordde toen weer terug: "Dan doe ik de volgende keer liever", Maandagochtend heb ik de rijschool gebeld dat ik niet meer heenging.
V: Hoe was jullie contact tijdens de rijlessen?
A: Toen begon hij met de hand op de been leggen. Hij voelde dan bij het remmen dat ik mijn been aanspande en vroeg me dan het nog een keer te doen. Dit deed hij best wel vaak.
V: Hoe vaak is het gebeurd dat [verdachte] je bij je vagina heeft aangeraakt?
A: Ik denk 7 of 8 keer. Daarmee bedoel ik ook de keren dat hij met zijn hand op mijn been lag en daarbij zijn vinger tegen de kut aan hield. Ik gok dat hij 3 of 4 keer echt met de volle hand aan mijn kut heeft gezeten.
V: In hoeveel lessen is dit gebeurd?
A: Ik denk in 3 rijlessen heeft hij het met de volle hand gedaan. Ik had toen 1 keer in de week les. Dat waren de laatste rijlessen. De laatste rijles bleef hij met de hand daar op die plek. Dat was die woensdag.
V: Hoe ging dat bij de eerste keer dat hij aan je kut zat?
A: We reden bij de [straatnaam] . Ik reed rechtdoor omdat de tijd nog niet om was. Ik dacht dat ik nog door moest, maar moest blijkbaar linksaf. Dat vond hij kennelijk grappig. Hij hield me bij mijn been vast en pakte me uit grapje bij mijn kut. Dat was niet de laatste les (De rechtbank begrijp de laatste les op 3 april 2024.).
V: Hoe ging dat?
A: Hij ging met volle hand naar mijn kut en kneep er toen in. V: Hoe ging dat vastpakken?
A: Hij deed dit met zijn linkerhand. Ik zat achter het stuur en zijn hand had hij al tussen mijn benen. Zij hand lag net onder het onderste deel van de riem, gordel. Hij heeft zijn hand dan ter hoogte van mijn lies en gaat dan via de lies naar mijn vagina.
V: Hoelang duurde het knijpen in je kut?
A: Hij heeft mijn kut die woensdag wel 20 seconden vastgehouden. Die andere keren was het ongeveer 5 seconden. De eerste keer was het denk ik korter, omdat hij denk ik wilde kijken wat ik deed.
V: Wanneer was de laatste keer?
A: Ik heb het dan over vorige week woensdag om 15:00 uur. Dat was dus 3 april. Hij deed het net voor de rotonde. Hij had zijn hand weer op mijn lies. Dat deed hij de laatste lessen steeds. Het begon bij mijn bovenbeen en de laatste anderhalve of twee maanden lag zijn hand bij mijn
lies. Het was wazig, doordat hij mij bij mijn vagina vasthield.
V: Wat kun je vertellen over wat er dan precies is gebeurd bij de rotonde?
A: Hij pakte mij bij mijn kut vast. Ik weet ook nog dat hij met zijn hand ging schudden, maar ik weet niet of het die ene keer was.
V: Heeft [verdachte] nog ergens aangezeten die keer?
A: Ja hij heeft toen aan mijn borsten gezeten. Ik voelde dat een hand mijn borst pakte. Hij maakte een grapje dat er wat op mijn shirt zat en ik voelde ineens dat hij aan mijn borst zat met de volle hand van onderen. Hij pakte met zijn linkerhand mijn rechterborst van onder en tilde mijn borst iets op.
V: We hebben begrepen dat je ook nog wat snapchatberichten hebt bewaard. Mogen we die van je hebben?
A: Ja. Ook op Whatsapp stond er wat.
O: De berichten mogen worden veiliggesteld van aangeefster en ter beschikking gesteld voor het onderzoek. De telefoon is hiervoor in beslag genomen.
V: Hoe staat [verdachte] in je telefoon?
A: Rijinstructeur. Dat is dan [verdachte] zo staat hij ook op Snap. V: Aan wie heb je het, het eerste verteld?
A: Mijn vriendin [getuige] . Die woensdag heb ik haar gebeld op 3 april en alles verteld. Woensdag na het werk had ik het ook nog aan [naam] verteld. Met zijn telefoon heb ik ook de screenshots gemaakte en toen naar mijn telefoon gestuurd.
De rechtbank begrijpt dat de door de aangeefster aan de verbalisanten verstrekte Snapchatberichten als bijlage aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank leest in deze berichten het volgende:
Rijinstructeur: “ik snap nu wat je bedoelde ik heb niks bij me”. Rijinstructeur: “Daarom deed het ook pijn als ik je pakte”.
Rijinstructeur: “Wilde geen pijn doen” “Sorry”. Rijinstructeur: “Doe ik het de volgende keer lief.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 23 april 2024, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
V: Je zegt omstandigheden bij [slachtoffer ] , wat kan je daar over vertellen?
A: Ik weet dat de rijinstructeur te ver is gegaan. Het begon heel klein, als [slachtoffer ] een fout maakte deed hij zijn hand op haar bovenbeen, hij kneep haar dan in haar been. Ze vertelde dat hij steeds verder ging. Ze werd dan vaak naar haar werk gebracht, dan reed een andere leerling en ging hij ook aan haar zitten. Hij ging ook contact zoeken via Snapchat.
V: Wat weet je daar nog meer over?
A: Bij de laatste rijles heeft hij haar in haar vagina gegrepen en zijn hand daar gehouden, hij heeft aan haar borst gezeten en op haar kont geslagen. [slachtoffer ] had toen auw gezegd en toen is hij op snapchat er verder over door gegaan.
V: Wanneer hoorde je voor het eerst dat er iets was? A: Aantal maanden geleden.
V: Wat heb je allemaal gehoord dat hij met zijn handen omhoog ging?
A: Ze zei wel dat hij met zijn hand erop lag en dat hij steeds hoger ging en kneep als ze een fout maakte.
V: Je zegt hij kneep, waar kneep hij dan?
A: In het binnen been. Zijn hand lag op haar been en dan kneep hij dus in haar binnen been V: Je vertelde: “Bij de laatste rijles heeft hij haar in haar vagina gegrepen en zijn hand daar gehouden” Wanneer hoorde je dat van haar?
A: Diezelfde avond nog in haar pauze (de rechtbank begrijpt op 3 april 2024), ze belde mij
overstuur. Ze vertelde dat hij haar in haar vagina had geknepen. V: Kan je nog zien hoe laat ze jou gebeld heeft?
A: Het was om 19.25 uur en de oproep duurde 6 minuut en 23 seconden. Ze belde met haar eigen mobiele telefoon.
V: Wat kan je over dat telefoongesprek vertellen?
A: Ik had gelijk wel door dat het niet goed ging met haar. Ze vertelde mij dat hij eerst zijn hand op haar been deed en hij steeds hoger en hoger ging. Bij een fout ging hij met zijn hand op haar vagina en ging hij daarin knijpen. Ze zei:” auw” Hij trok zijn hand terug en legde zijn hand weer terug op haar vagina. Ze was best wel overstuur. Ik hoorde dat [slachtoffer ] aan het huilen was. V: Je vertelt ook dat ze in haar borst geknepen was en op haar kont was geslagen. Wanneer was dat geweest?
A: Dat was eerder al. Hij zei dan, je hebt hier een vlekje en wees op de trui van [slachtoffer ] . Het is dan de bedoeling dat je met je vinger omhoog gaat tegen je neus aan als je dan kijkt. Nu keek [slachtoffer ] en legde zijn hand op haar borst. Dat hoorde ik de volgende ochtend van [slachtoffer ] .
V: Ze barste uit zeg je?
A: Alles kwam eruit. Ze huilde niet maar ze begon wel te trillen en haar handen gingen heen en weer. Ze begon heen en weer te lopen, ze begon te ijsberen.
V: Wat deed het met [slachtoffer ] volgens jou toen ze aan het vertellen was?
A: Ze begon heen en weer te ijsberen en ze was wat in paniek.
V: Zijn er nog dingen die van belang zijn dat wij nu nog moeten weten maar niet hebben gevraagd over [slachtoffer ] ?
A: Ze vertelde mij dat ze alleen maar auw kon zeggen en dat ze voor de rest verstijfde.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2024, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op maandag 27 mei 2024 heb ik verbalisant, onderzoek gedaan in de veilig gestelde gegevens van de telefoon van aangeefster [slachtoffer ] . Ik heb hierbij gezocht in de gesprekken van Whatsapp en Snapchat die gingen over rijinstructeur en op de naam [verdachte] .
Hierbij zag ik een gesprek in Snapchat, ik zag dat Rijinstructeur met de accountnaam: [gebruikersnaam 1] drie berichtjes stuurde naar het account [slachtoffer ] met het accountnaam: [gebruikersnaam 2] .
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken de bewijsvraag vaak lastig is, omdat alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader bij de handelingen aanwezig waren. Dat is ook in deze zaak het geval. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het plegen van ten laste gelegde handelingen.
Juridisch kader
In artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan baseren op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van het vermeende slachtoffer. Ook als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, is dat onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Er dient, met andere woorden, steunbewijs te zijn. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd, ondersteuning vinden in één of meer andere bewijsmiddelen, bijvoorbeeld een getuigenverklaring. Daarbij geldt dat de feiten en omstandigheden waarover de getuige heeft verklaard, niet op zichzelf mogen staan en voldoende steun dienen te vinden in ander bewijsmateriaal. Tussen de verklaring van het slachtoffer en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver
verwijderd verband.1Dit is een belangrijke waarborg voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing.
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken. Daarbij betrekt de rechtbank onder meer de consistentie en authenticiteit van die verklaringen. De rechtbank overweegt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat aangeefster op 12 april 2024, nadat eerst een informatief gesprek zeden heeft plaatsgevonden, aangifte heeft gedaan tegen de verdachte. Verdachte was de rijinstructeur van aangeefster en zou haar gedurende verschillende maanden op ongepaste plekken op haar lichaam hebben aangeraakt. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, van oordeel dat aangeefster een concrete, gedetailleerde, consistente en authentieke verklaring heeft afgelegd over de seksuele handelingen die verdachte bij haar zou hebben verricht en over de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Dat er in de verklaring op detailniveau verschillen bestaan, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid daarvan niet af. Uit niets is de rechtbank gebleken dat aangeefster haar verklaring heeft verzonnen of heeft willen aandikken. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om als uitgangspunt voor het bewijs te dienen.
Steunbewijs
Vervolgens moet worden beoordeeld of het dossier voldoende steunbewijs bevat ten aanzien
van de seksuele handelingen door verdachte. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan steunbewijs in sommige gevallen bestaan uit verklaringen van getuigen die een eigen waarneming behelzen van de gemoedstoestand van de aangeefster, vlak na het moment dat het ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden. Dit is het geval indien de emotionele toestand die de zogeheten disclosure-getuige bij aangeefster heeft waargenomen, alsmede eventuele gedragsveranderingen, niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan als een bevestiging van de verklaring van de aangeefster. Een dergelijke waarneming kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en het verband met het ten laste gelegde feit, voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezenverklaarde. 2
De getuigenverklaring van [getuige]
Getuige [getuige] verklaart dat ze op de avond van 3 april 2024 door aangeefster is opgebeld. [getuige] heeft uit eigen beweging verklaart dat aangeefster overstuur was en dat ze hoorde dat aangeefster aan het huilen was. Aan de telefoon heeft aangeefster aan [getuige] verteld dat verdachte tijdens haar rijles weer zijn hand bij aangeefster op haar been had gelegd, aan haar borst had gezeten en vervolgens in haar vagina had geknepen, waarna aangeefster auw zou hebben geroepen. Deze handelingen komen naar het oordeel van de rechtbank op specifieke onderdelen overeen met de aangifte van aangeefster. [getuige] verklaart verder dat ze aangeefster de volgende ochtend weer heeft gesproken. Dat aangeefster overstuur was en toen alles (nogmaals) heeft verteld en dat ze daarbij begon te trillen en te ijsberen.
De raadsvrouw heeft betoogd dat onduidelijk is welke emoties de getuige bij aangeefster heeft waargenomen, dat de getuige hierover tegenstrijdig heeft verklaard en dat de emotie in onvoldoende causaal verband staat tot de tenlastelegging. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft getuige [getuige] concreet beschreven wat zij hoorde tijdens het telefoongesprek en wat zij de volgende ochtend bij aangeefster zag. Dat aangeefster niet uitdrukkelijk heeft bevestigd dat zij huilde, doet aan die waarneming van getuige niet af en is evenmin vereist. Ook ziet de rechtbank geen tegenstrijdigheid tussen de verklaring dat
aangeefster overstuur was en de beschrijving dat zij trilde en ijsbeerde. Deze gedragingen kunnen immers juist worden beschouwd als uitingen van de door getuige [getuige] beschreven gemoedstoestand. Dat de emoties van aangeefster mogelijk ook verband hielden met haar angst voor de reactie van haar vriend of een eerdere negatieve ervaring, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden sluiten immers niet uit dat haar emoties verband hielden met het ten laste gelegde voorval. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de laatste rijles op 3 april 2024 en de (telefoon)gesprekken tussen aangeefster en getuige [getuige] , de door [getuige] waargenomen emoties en de overeenkomsten tussen de aangifte van aangeefster en de verklaring van [getuige] , is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] als steunbewijs kan dienen.
De snapchatberichten
Ook de Snapchatberichten die deel uitmaken van het procesdossier ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van aangeefster. Zij heeft verklaard dat zij via Snapchat contact had met verdachte, die zij onder de naam Rijinstructeur in haar telefoon had staan. Uit de aangifte van 12 april 2024 blijkt dat aangeefster met een telefoon van een vriend fotos heeft gemaakt van deze Snapchatgesprekken en dat zij deze afbeeldingen vervolgens aan de politie verstrekt.
Uit het onderzoek aan de telefoon van aangeefster op 27 mei 2024 blijkt dat het Snapchat-account [gebruikersnaam 1] onder de naam Rijinstructeur in de telefoon van aangeefster stond. Ter terechtzitting heeft de verdachte, geconfronteerd met de berichten, erkend dat [gebruikersnaam 1] zijn Snapchataccount is. Op de screenshots in de bijlage is te zien dat Rijinstructeur berichten stuurt naar [gebruikersnaam 4] . De rechtbank stelt op grond van bovenstaande vast dat in de berichten ik aangeefster is en dat Rijinstructeur verdachte is.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat deze gesprekken niet door de politie op de telefoon van aangeefster zijn aangetroffen, dat niet is onderzocht wie achter het profiel Rijinstructeur zat en dat de screenshots geen datum bevatten. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in dit standpunt.
Dat de politie de berichten niet heeft aangetroffen, is verklaarbaar doordat Snapchatberichten in beginsel verdwijnen nadat zij zijn geopend en aangeefster de gesprekken met een andere telefoon heeft vastgelegd. Daarbij blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van aangeefster dat enkel is gezocht in de Whatsapp- en Snapchatgesprekken die gingen over rijinstructeur en de naam van verdachte en dus niet in Whatsapp-gesprekken met een vriend of in haar afbeeldingen. Ook de omstandigheid dat de screenshots geen datum bevatten, staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan het gebruik daarvan als bewijs in de weg. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de inhoud van de berichten op zeer specifieke onderdelen overeenkomt met de verklaring van aangeefster. Zij heeft verklaard dat zij tijdens haar laatste rijles op 3 april 2024 naar de wc wilde en dat verdachte haar vastpakte tussen haar benen, dat zij daarbij auw riep en vervolgens zei dat ze niets bij zich had. In de Snapchatgesprekken is te lezen dat verdachte onder meer stuurt: “ik snap nu wat je bedoelde ik heb niks bij me”, “Daarom deed het ook pijn als ik je pakte”, “wilde geen pijn doen sorry en “Doe ik het de volgende keer lief.
De rechtbank is daarom van oordeel dat ook de Snapchatberichten als steunbewijs kunnen dienen.
Ontuchtige handelingen
Het betasten van het been, de lies, de borst en de vagina zijn naar het oordeel van de rechtbank als ontuchtige handelingen te beschouwen aangezien het handelingen van seksuele aard betreffen die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, nog daargelaten het leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster.
Dwang
De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is van dwang door middel van feitelijkheden.
Van dwang door een feitelijkheid kan sprake zijn wanneer door het onverhoedse karakter van de handelingen iemand wordt gedwongen om deze ontuchtige handelingen te dulden. Aangeefster zat ten tijde van de handelingen achter het stuur in een rijdende lesauto, waardoor zij zich niet kon verweren tegen verdachte en zij tevens niet in staat was om zich te onttrekken aan de situatie. De rechtbank merkt het handelen van verdachte aan als onverhoeds en daarmee is sprake van dwang. Niet alleen vanwege het onverhoeds handelen van verdachte, tijdens de rijlessen, maar ook vanwege het overwicht dat verdachte op aangeefster had door het grote leeftijdsverschil en de verhouding rijinstructeur-leerling, maken dat aangeefster gedwongen werd om de ontuchtige handelingen te dulden.
Periode
Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank dat een kortere pleegperiode is bewezenverklaard, nu uit de verklaring van aangeefster blijkt dat de ontuchtige handelingen vier maanden geleden, tot aan de laatste rijles op 3 april 2024, hebben plaatsgevonden. Uit het dossier wordt onvoldoende duidelijk dat voor die tijd ook ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.
3 Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 januari 2024 tot en met 3 april 2024 te Groningen, meermalen, door een andere feitelijkheid, te weten dat hij, verdachte, telkens gebruik heeft gemaakt van het leeftijdsverschil en het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als rijinstructeur van die [slachtoffer ] en telkens gebruik heeft gemaakt van de beperkte bewegingsvrijheid die [slachtoffer ] had als bestuurster van een rijdende auto [slachtoffer ] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:
-
het betasten van een been, en
-
het betasten in de lies, en
-
het betasten van de borst, en
-
het betasten/knijpen in de vagina,
en voormelde ontuchtige handelingen zodanig onverhoeds heeft gepleegd dat die [slachtoffer ] niet in staat was die handelingen af te weren of daartegen weerstand te bieden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, begaan tegen een aan zijn opleiding toevertrouwde ondergeschikte.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
5 Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
6 Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 10 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw verzocht om de duur van de taakstraf te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich als rijinstructeur gedurende vier maanden schuldig gemaakt aan aanranding door zijn leerling tijdens de rijlessen tegen haar wil op haar bovenbeen, lies, borst en vagina te betasten.
Deze handelingen hebben meermalen plaatsgevonden en daarin is een duidelijke opbouw te zien. Door zijn rol als rijinstructeur en het grote leeftijdsverschil, had verdachte overwicht op aangeefster. Zij bevond zich in een ondergeschikte positie en een afhankelijke rol ten opzichte van verdachte en kon zich niet aan zijn handelingen onttrekken. Verdachte was kennelijk niet in staat professionele afstand tot zijn leerling te bewaren en heeft misbruik gemaakt van dit overwicht. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Verdachte heeft daarbij niet stilgestaan bij de gevolgen voor aangeefster en zich enkel laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften. Verdachte heeft geen blijk gegeven van enig inzicht in zijn eigen functioneren en neemt op geen enkele manier verantwoordelijkheid voor het feit dat hem verweten wordt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 december 2024. Hieruit volgt dat alle leefgebieden stabiel zijn. De reclassering heeft geadviseerd om bij veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zedenzaken worden opgelegd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat voor feiten als de onderhavige het taakstrafverbod in de zin van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en in beginsel dus geen taakstraf wordt opgelegd. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de ontuchtige handelingen voor een langere periode, meerdere keren hebben plaatsgevonden en dat sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte als rijinstructeur en aangeefster als leerling. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal ten voordele van verdachte rekening houden met het tijdsverloop vanaf het gepleegde feit en daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
7 Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 246, 248 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde feit bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. H. de Ruijter en
mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. K. ten Hoorn Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2026.
1. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.
2 HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.
[afbeelding niet beschikbaar]