Materieel strafrecht
Veroordeling wegens brandstichting schuren met gevaar voor goederen, waaronder de aldaar ondergebrachte…
Rechtbank Noord-Nederland, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4622 · Rechtbank Noord-Nederland · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2026-4622
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 18-068881-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4622
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling wegens brandstichting schuren met gevaar voor goederen, waaronder de aldaar ondergebrachte dieren, poging tot brandstichting schuur en vernieling politiecellen tot een gevangenisstraf van 768 dagen waarvan 600 voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank stelt de proeftijd op 5 jaren en koppelt aan de straf bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.068881.26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum ] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 oktober 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. de Reus, advocaat te Capelle aan den IJssel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 4 maart 2026 te Harkstede , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door spiritus, althans enige chemische en/of brandbare stof, en/of rollen papier en/of kaarsen in contact te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten meerdere schuren met de aldaar ondergebrachte dieren, waaronder schapen en/of paarden, en/of auto's, waaronder een Ford Mustang, en/of in de nabije omgeving aanwezige schuren en/of huizen en/of voertuigen, althans enig goed, te duchten was.
2
hij op of omstreeks 4 maart 2026 te Harkstede , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten meerdere schuren met de aldaar ondergebrachte dieren, waaronder schapen en/of paarden, en/of auto's, waaronder een Ford Mustang, en/of in de nabije omgeving aanwezige schuren en/of huizen en/of voertuigen, te duchten was, spiritus, althans enige chemische en/of brandbare stof, en/of rollen papier en/of kaarsen in contact heeft gebracht met open vuur, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3
hij op of omstreeks 8 maart 2026 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk in celnummer [celnummer 1] een beeldscherm en/of attentieverlichting en/of in celnummer [celnummer 2] vloerbedekking, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie, [adres 4] te Groningen, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle feiten, met dien verstande dat onder feit 1 geen sprake is van medeplegen, nu verdachte het feit alleen heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat alle feiten bewezenverklaard kunnen worden, met dien verstande dat geen sprake is geweest van medeplegen (feit 1), en ook niet van het teweegbrengen van een ontploffing en gemeen gevaar voor huizen (feit 1 en 2).
Oordeel van de rechtbank
t.a.v. feiten 1 en 2
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank merkt daarbij op dat zij het medeplegen dat onder feit 1 ten laste is gelegd, niet bewezen acht. Nu verdachte de feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
-
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 oktober 2026;
-
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2026, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN2R026049 d.d. 20 augustus 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
t.a.v. feit 3
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
-
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 oktober 2026;
-
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2026, opgenomen op p. 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verbalisant] namens de politie;
-
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2026, opgenomen op p. 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verbalisant] namens de politie.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 4 maart 2026 te Harkstede , opzettelijk brand heeft gesticht door spiritus, althans enige chemische en/of brandbare stof, en rollen papier en kaarsen in contact te brengen met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten meerdere schuren met de aldaar ondergebrachte dieren, waaronder schapen en paarden, en autos, waaronder een Ford Mustang, en in de nabije omgeving aanwezige schuren en voertuigen, te duchten was;
2
hij op 4 maart 2026 te Harkstede , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten meerdere schuren met de aldaar ondergebrachte dieren, waaronder schapen en paarden, en autos, waaronder een Ford Mustang, en in de nabije omgeving aanwezige schuren en voertuigen, te duchten was, spiritus, althans enige chemische en/of brandbare stof, rollen papier en kaarsen in contact heeft gebracht met open vuur, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op 8 maart 2026 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk in celnummer [celnummer 1] een beeldscherm en attentieverlichting en in celnummer [celnummer 2] vloerbedekking, in elk geval enig goed, die geheel aan de Politie, [adres 4] te Groningen, toebehoorden, heeft vernield.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
-
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
-
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake alle feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 777 dagen waarvan 600 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 5 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. In aanvulling op de bijzondere voorwaarde inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , heeft de officier van justitie een contactverbod gevorderd met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en heeft de officier van justitie inzet van het slachtofferdevice gevorderd ten
aanzien van de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor de duur van 6 maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman kan zich vinden in een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de officier geëist, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft ervoor gepleit dat er in de bijzondere voorwaarde inhoudende het contactverbod met zijn expartner een uitzondering wordt gemaakt voor het contact dat verloopt via professionals met betrekking tot de omgang met zijn dochter. De raadsman heeft de rechtbank daarnaast verzocht om rekening houden met de omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden door de politie en de fysieke klachten die hij ten gevolge van de aanhouding nog steeds heeft.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de psycholoog
d.d. 21 juni 2026, de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting in een schuur van zijn ex-schoonouders, waardoor deze schuur en een naastgelegen schuur in brand zijn gevlogen. Verdachte heeft de brand in het holst van de nacht gesticht en heeft daarmee niet alleen flinke materiële schade aangericht aan de schuren en goederen die zich in de schuren bevonden, maar er ook voor gezorgd dat de in de schuren aanwezige drachtige schapen en lammetjes levend zijn verbrand. Daarnaast bestond het risico dat de brand zou overslaan naar nabijgelegen schuren waar, onder andere, paarden stonden die ternauwernood gered konden worden. De brand bracht dan ook gemeen gevaar voor goederen met zich.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting van een andere schuur. Het is niet aan verdachte te danken dat deze brandstichting niet voltooid is en dat deze schuur niet (eveneens) in vlammen is opgegaan. Dat laat onverlet dat het hier ook gaat om een ernstig feit.
Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij de brand heeft gesticht en dat hij in een andere schuur gepoogd heeft brand te stichten uit wanhoop en psychische onmacht die hij ervaarde als gevolg van de vechtscheiding met zijn ex-partner en een kwestie over de omgang met zijn dochter. Hij wilde de mensen die dat hem naar zijn zeggen hadden aangedaan, dezelfde pijn laten voelen als die hij voelde. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte uit eigen wanhoop en onmacht een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt door de brandstichting en daarbij veel schade heeft aangericht. Uit de slachtofferverklaringen is gebleken dat de brandstichting grote impact heeft gehad op de eigenaren van de schuren en dieren, tevens ex-schoonouders van verdachte, en verdachtes ex-partner, en dat zij nog altijd erg bang zijn voor verdachte.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan vernielingen van een beeldscherm en de attentieverlichting in een politiecel en vernieling van een zogenoemde zachte cel van de politie. De verdachte heeft daarmee een gebrek aan respect getoond voor de eigendommen van anderen en materiële schade en overlast veroorzaakt. Dit is een kwalijk en hinderlijk feit. Het vernielen van politiecellen heeft daarnaast nadelige gevolgen voor de gang van zaken op het politiebureau. Zo moesten verdachten die in een zachte cel geplaatst moesten worden, overgeplaatst worden naar andere cellencomplexen.
Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij op het politiebureau eveneens handelde uit wanhoop en psychische onmacht. Verdachte heeft verklaard dat de agenten hem (eerder) veel pijn hebben gedaan en dat er geen gehoor werd gegeven aan zijn fysieke klachten. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte uit eigen wanhoop en onmacht voor onveiligheid en overlast heeft gezorgd op het politiebureau.
De reclassering adviseert, vanwege de nog altijd stresserende omstandigheden rondom de omgang met verdachtes dochter, het voortzetten van reclasseringsbemoeienis en de bijzondere voorwaarden, mede gericht op risicobeheersing.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van ernstige feiten waarvoor in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Gelet op de persoon van verdachte is de rechtbank echter van oordeel dat bij de strafbepaling de focus moet liggen op het strafdoel van preventie door hulpverlening aan verdachte.
De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd met oplegging van de bijzondere voorwaarden meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, contactverbod, locatieverbod, locatiegebod en beheersing middelengebruik. Tijdens de schorsing van verdachte uit voorlopige hechtenis heeft de reclassering gezien dat verdachte goed en open was in het contact met en dat hij zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Vanwege de nog altijd lopende stresserende omstandigheden rondom de echtscheiding en de omgang met zijn dochter, heeft de reclassering het voortzetten van reclasseringsbemoeienis en de bijzondere voorwaarden, mede gericht op risicobeheersing geadviseerd. Gelet op de ernst van de verdenking is volgens de reclassering de kans op een misdrijf met schade voor personen groot, derhalve hebben zij dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht geadviseerd.
De rechtbank neemt het advies van de reclassering grotendeels over. De rechtbank zal een gevangenisstraf in deels voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast acht de rechtbank, zoals gevorderd door de officier van justitie, het van belang dat de contactverboden met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] worden opgelegd. Verder acht de rechtbank het van belang dat de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] nog gedurende 6 maanden gebruik kunnen maken van het slachtofferdevice.
Het voorwaardelijk strafdeel dient als een forse stok achter de deur om verdachte ertoe te bewegen zich te blijven openstellen voor hulpverlening en niet opnieuw terug te grijpen naar strafbaar gedrag als hij wanhoop of psychische onmacht ervaart.
De rechtbank ziet reden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen. Zonder onmiddellijke voortzetting van de behandeling is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich schuldig zal maken aan een feit dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank baseert zich daarbij op het feit dat de stresserende omstandigheden rondom de echtscheiding en de omgang met zijn dochter nog altijd bestaan, de psycholoog geen uitspraak heeft kunnen doen over een mogelijk verband tussen eventuele psychische problematiek en het tenlastegelegde en dat het ingezette hulpverleningstraject waar verdachte in eerste instantie ambivalent in stond zich nog in een pril stadium bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze factoren dat verdachte gemakkelijk opnieuw (ernstig) kan ontregelen en dat er een grote kans is dat dit zal leiden tot een herhaling van feiten zoals ten laste gelegd, of erger. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Om diezelfde reden zal de rechtbank de proeftijd op vijf jaar stellen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de slachtoffers verzochte vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen. De rechtbank acht de oplegging van de contactverboden in de vorm van een bijzondere voorwaarde afdoende om verdachte van contact te weerhouden.
De rechtbank heeft de duur van het voorarrest anders berekend dan de officier van justitie en legt daarom een lagere straf op, om te voorkomen dat er nog een onvoorwaardelijk deel van de gevangenis open staat. De rechtbank heeft net als de officier van justitie de bedoeling dat het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf, passend en geboden is. De rechtbank zal aldus opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 768 dagen waarvan 600 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met daaraan verbonden de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden, en een proeftijd van vijf jaren.
Benadeelde partij
t.a.v. feit 3
Politie Eenheid Noord-Nederland heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 33.693,36 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de toe te wijzen schadevergoeding wordt verhoogd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vraagtekens gesteld bij de posten toeslag werk derden, mogelijke faalkosten, voorbereiding en voorbereiding op locatie en maken tekening, calculatie en voorbereiding. Daarnaast zijn naar het oordeel van de verdediging de kosten met betrekking tot schade aan de wand niet te herleiden tot het feit waar verdachte van verdacht wordt. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel niet moet worden opgelegd nu de politie een professionele organisatie is die moet worden geacht zelf de incasso te kunnen uitvoeren.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 bewezen verklaarde. De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte in ieder geval enig goed van de politie heeft vernield. Uit het dossier en de vordering van de benadeelde partij blijkt voldoende dat de vloerbedekking en de wand van de zachte politiecel door verdachte zijn vernield en dat ten gevolge van deze vernieling schade is ontstaan. De schade is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De vordering, waarvan de hoogte voor het overige onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 maart 2026.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank, anders dan de verdediging heeft bepleit, de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten behoeve van rechtspersonen geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd. Dat een benadeelde partij een rechtspersoon is, is aldus geen criterium dat bij de keuze voor het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsregeling een rol behoeft te spelen, zodat dit aspect het oordeel van de rechtbank niet anders maakt. Daarnaast heeft de politie, net als een natuurlijke persoon, geen incassomogelijkheden zoals een commercieel bedrijf die heeft.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 768 dagen
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 600 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 5 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of
gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
de veroordeelde zich meldt op afspraken met de Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, [adres 2] (op vrijdagmiddag is het kantoor gesloten, dan kan het alleen telefonisch). De veroordeelde volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden;
-
de veroordeelde zich laat behandelen door de AFPB Van Mesdag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op het omgaan met frustraties, onmacht en problemen waar de veroordeelde tegenaan loopt in het dagelijks leven. Indien daartoe aanleiding is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
-
de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met:
-
[slachtoffer 3] geboren op [geboortedatum ] 1984, met uitzondering van contact dat verloopt via een advocaat, de reclassering of gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming, voor zover dit noodzakelijk is voor de omgang met hun minderjarige kind, en mits de reclassering hier vooraf toestemming voor heeft gegeven;
-
[slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum ] 1945;
-
[slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum ] 1952;
-
[naam 1] , geboren op [geboortedatum ] 1990;
-
[naam 2] , geboren op [geboortedatum ] 1986;
-
[naam 3] , geboren op [geboortedatum ] 1978.
De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van het contactverbod met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , voor de duur van 6 maanden. Met elektronische monitoring via enkelband en slachtofferdevices kan de reclassering de genoemde slachtoffers informeren als verdachte dichtbij komt;
4. de veroordeelde zich niet bevindt in onderstaande gebieden en locaties zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode de verboden gebieden laten vervallen, de verboden gebieden verkleinen en/of aan de veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde verlaat Nederland niet zonder toestemming van de reclassering, gedurende de duur van het elektronisch toezicht.
Locatieverboden:
-
de dorpen Harkstede en Scharmer ;
-
het werkadres van [slachtoffer 3] (het gebied tussen [adres 3] );
-
de veroordeelde op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: van maandag tot en met zondag van 23:00 uur tot 06:00 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde verlaat Nederland niet zonder toestemming van de reclassering, gedurende de duur van het elektronisch toezicht;
-
de veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs), en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles betreffen.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe en veroordeelt verdachte om aan Politie Eenheid Noord-Nederland te betalen:
-
het bedrag van 33.693,36 (zegge: drieëndertigduizend zeshonderddrieënnegentig euro en zesendertig eurocent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van Politie Eenheid Noord-Nederland aan de Staat te betalen een bedrag van 33.693,36 (zegge: drieëndertigduizend zeshonderd drieënnegentig euro en zesendertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 170 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en
mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. J. Kalma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2026.