Belastingrecht
Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Het aanwijsbesluit was rechtsgeldig op het moment van parkeren. Geen…
Rechtbank Oost-Brabant, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5233 · Rechtbank Oost-Brabant · 24 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbobr-2026-5233
Zaakgegevens
Op 24 juli 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Datum publicatie
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- 26/512
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5233
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Het aanwijsbesluit was rechtsgeldig op het moment van parkeren. Geen strijd met legaliteitsbeginsel.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/512
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] (België), eiser
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aan eiser terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft op 27 mei 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 83,30 opgelegd (de naheffingsaanslag), bestaande uit € 4,50 parkeerbelasting en € 78,80 naheffingskosten.
Met de uitspraak op bezwaar van 9 januari 2026 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Op 12 mei 2025 rond 13:04 uur stond het voertuig van eiser met het kentekennummer [kenteken] op een parkeerplaats aan het Wilhelminaplein in Eindhoven. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd, omdat eiser geen parkeergeld heeft betaald. Het Wilhelminaplein is aangewezen als plek waar parkeerbelasting moet worden betaald.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het beroep van eiser ongegrond is en dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er op 12 mei 2025 geen geldig besluit was waarin het Wilhelminaplein is aangewezen als plek waar parkeerbelasting moet worden voldaan. In 2024 is zo’n aanwijsbesluit genomen, maar dit aanwijsbesluit heeft geen rechtskracht meer na de inwerkingtreding van een nieuwe verordening parkeerbelastingen per 1 januari 2025. Met deze nieuwe verordening is de oude verordening uit 2024 ingetrokken. Pas op 7 juni 2025 is een nieuw aanwijsbesluit in werking getreden, dus na het belastbare feit. Het zou in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel als het op een verordening gebaseerd aanwijzingsbesluit geldig zou blijven, terwijl de verordening zelf komt te vervallen. Eiser verwijst hierbij naar twee uitspraken.
5. De heffingsambtenaar is het niet met eiser eens. Hij wijst er op dat het aanwijsbesluit uit 2024 niet specifiek is gebaseerd op de verordening uit 2024, maar op de verordening die ten tijde van het belastbare feit geldt. De geldigheidsduur van de aanwijsbesluiten loopt dus niet samen met die van de verordeningen. Het aanwijsbesluit uit 2024 heeft dus ook na de intrekking van de verordening uit 2024 zijn geldigheid behouden. In de uitspraken waarnaar eiser verwijst, was dit anders geregeld dan wel is onduidelijk hoe dit was geregeld.
Regelgeving
6. De Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2024 (hierna: Verordening parkeerbelastingen 2024) bepaalde:
Artikel 1. Belastbaar feit
Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze ver-
ordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders
te bepalen plaats, tijdstip en wijze; (…)
Artikel 9. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen
De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.
De Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 (hierna: Verordening parkeerbelastingen 2025) is bekendgemaakt op 16 december 2024. Artikel 1 en 9 zijn identiek aan voormelde artikelen. Verder is het volgende bepaald:
Artikel 13. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel
1. De ‘Verordening parkeerbelastingen 2024’, vastgesteld bij raadsbesluit van 7 november 2023,
laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 juli 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde
lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft
op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025. (…)
In het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren juni 2024 (hierna: aanwijsbesluit 2024), in werking getreden op 31 juli 2024, is het Wilhelminaplein aangewezen als locatie waar betaald parkeren geldt. Dit aanwijsbesluit bepaalde onder andere:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven besluit;
gelet op artikel 225 van de Gemeentewet, de Parkeerverordening 2009 en de Verordening parkeerbelas-
tingen; vast te stellen het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren juni 2024.
Het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren april 2025 (hierna: aanwijsbesluit 2025) is bekendgemaakt op 6 juni 2025. Ook in dit besluit is het Wilhelminaplein aangewezen als locatie waar betaald parkeren geldt. Dit aanwijsbesluit bepaalt onder andere:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven besluit;
gelet op artikel 225 van de Gemeentewet, de Parkeerverordening 2009 en de Verordening parkeerbelas-
tingen; vast te stellen het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren april 2025. (…)
Artikel 25 Slotbepalingen
1. Dit besluit treedt in werking de dag na bekendmaking.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren April 2025’
3. Het ‘Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren juni 2024’ wordt ingetrokken, met dien verstande
dat dit van toepassing blijft op de (belastbare) feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Hoe oordeelt de rechtbank?
7. Uit voormelde bepalingen blijkt niet dat de aanwijsbesluiten 2024 en 2025 hun rechtskracht verliezen zodra een nieuwe verordening parkeerbelastingen in werking is getreden. Uit de hiervoor geciteerde aanwijsbesluiten blijkt namelijk niet dat deze wat betreft hun geldingsduur zijn gekoppeld aan de geldingsduur van de verordeningen. In de aanwijsbesluiten staat namelijk ‘gelet op (…) de Verordening parkeerbelastingen’, zonder verdere aanduiding om welke verordening het gaat. Ook uit de Verordeningen parkeerbelastingen 2024 en 2025 blijkt een dergelijke koppeling niet. De formulering ‘krachtens deze verordening’ (cursief rechtbank) in artikel 1 van beide verordeningen geeft de bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders om locaties aan te wijzen waar betaald parkeren geldt, en heeft geen andere strekking.
Het voorgaande betekent dat het aanwijsbesluit 2024 op 12 mei 2025 zijn rechtskracht (nog) behield. Van strijd met het legaliteitsbeginsel is geen sprake. Dat betekent dat eiser op die datum op het Wilhelminaplein betaald moest parkeren. Verder heeft de heffingsambtenaar voldoende onderbouwd dat in de twee uitspraken waarop eiser wijst, de toepasselijke regels niet vergelijkbaar waren, dan wel niet duidelijk is dat deze vergelijkbaar waren.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.