Belastingrecht

Vergoeding voor indienen van taxatierapport in WOZ-zaak. De rechtbank vindt een vergoeding van € 35,70 redelijk.

Rechtbank Oost-Brabant, 22 september 2026

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
25/3502
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:6799
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vergoeding voor indienen van taxatierapport in WOZ-zaak. De rechtbank vindt een vergoeding van € 35,70 redelijk.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/3502


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2026 in de zaak tussen


[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Best, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank tot welk bedrag eiser recht heeft op een vergoeding voor een ingediend taxatierapport.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning op het adres [adres] in Best met de beschikking van 21 februari 2025 vastgesteld op € 726.000 voor het jaar 2025. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser met de bestreden uitspraak van 27 oktober 2025 gegrond verklaard en de waarde van de woning verminderd naar € 695.000. Ook heeft de heffingsambtenaar aan eiser een proceskostenvergoeding van € 230,42 toegekend. Daarvan betreft het bedrag van € 36,60 een vergoeding voor een ingediend taxatierapport.

1.3.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

1.6.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Partijen zijn het niet eens over de vergoeding in verband met het uitbrengen van een taxatierapport in de bezwaarfase. Het gaat om een rapport van Woning Waarderingsmeesters. In dit rapport wordt de conclusie getrokken dat de waarde van de woning € 601.000 is. In het rapport wordt vermeld dat de taxatie niet-inpandig heeft plaatsgevonden, dat daaraan twee uur is besteed en tegen een uurtarief van € 59. Inclusief btw leidt dit tot een te declareren bedrag van € 142,78.

Standpunten van partijen

3. De heffingsambtenaar vindt het aannemelijk dat het rapport geheel of gedeeltelijk geautomatiseerd is opgemaakt. Hierbij wijst hij op het grote aantal rapporten dat Woning Waarderingsmeesters uitbrengt. Het is daarom niet aannemelijk dat twee uur is besteed aan het opstellen van het rapport. In aansluiting op een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juni 2025 vindt de heffingsambtenaar een vergoeding van € 36,30 inclusief btw meer dan redelijk. Ook andere rechterlijke instanties hebben de vergoeding voor een rapport van Woning Waarderingsmeesters gematigd.

4. Eiser is het hiermee niet eens. Aan het tot stand komen van het rapport is ongeveer twee uur besteed en het is niet geautomatiseerd tot stand gekomen. Primair vindt hij dat het gedeclareerde bedrag van € 142,78 inclusief btw vergoed zou moeten worden. Volgens eiser is dit bedrag namelijk marktconform. Subsidiair vindt hij dat een eventuele matiging niet willekeurig zou moeten zijn, maar moet aansluiten bij het wettelijk kader, de relevante marktomstandigheden en de redelijke mogelijkheid om een bruikbaar taxatierapport te laten opstellen. Hij denkt hierbij in eerste instantie aan een bedrag van € 120 of nog lager, maar zeker niet lager dan € 95. Eiser volgt de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026 niet wat betreft de daarin vastgestelde vergoeding van € 35,70. Het gerechtshof heeft namelijk de vergoeding zelfstandig vastgesteld zonder kenbaar te toetsen aan de marktomstandigheden voor vergelijkbare taxatierapporten en zonder kenbaar te beoordelen of voor dat bedrag nog daadwerkelijk een geschikt taxatierapport kan worden verkregen.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat minimaal een bedrag van € 95 vergoed zou moeten worden. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 januari 2026 en komt tot het oordeel dat een vergoeding van € 35,70 redelijk zou zijn. Dit legt de rechtbank hierna verder uit.

5.1.

Evenals in die zaak gaat de rechtbank er ook in dit geval vanuit dat het opstellen van het rapport en de eventuele controle daarvan geringe tijd heeft gekost. Met toepassing van artikel 9, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 wordt deze tijdsbesteding naar boven afgerond naar een half uur.

5.2.

De rechtbank is het niet eens met eisers kritiek op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Uitgangspunt is dat een kostenvergoeding redelijk moet zijn. Niet valt in te zien waarom in het geval van een geringe tijdsbesteding een vergoeding zou moeten worden gegeven die niet tot die tijdsbesteding in verhouding staat. Het gerechtshof heeft in r.o. 4.8 overwogen dat in de wettelijke regeling al een afweging ligt wat redelijk is.

5.3.

Een redelijke vergoeding is dus 0,5 maal € 59, vermeerderd met 21% btw. Dit is afgerond € 35,70. De heffingsambtenaar heeft een iets hoger bedrag vergoed, dus niet te weinig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de vergoeding voor het taxatierapport in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ECLI:NL:RBGEL:2025:4986. ECLI:NL:GHARL:2026:259.