Bestuursprocesrecht
Vovo is niet-ontvankelijk. Geen procesbelang want het op dit moment stilleggen van de werkzaamheden kan niet…
Rechtbank Oost-Brabant, 22 september 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:6807 · Rechtbank Oost-Brabant · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbobr-2026-6807
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 26/2659
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6807
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vovo is niet-ontvankelijk. Geen procesbelang want het op dit moment stilleggen van de werkzaamheden kan niet het door verzoekster gewenste gevolg hebben dat de al verwijderde vegetatie en/of de al verwijderde rust-/voortplantings-/verblijfplaatsen van de steenmater op de locatie zelf nog kunnen worden beschermd. Geen materiële connexiteit ten aanzien van het aanvullende verzoek om voorlopige voorziening wat ziet op het beschermen van het leefgebied van de steemarter op groenstructuren gelegen naast de locatie waar een AZC wordt gerealiseerd. Het primaire besluit in de connexe beroepszaak heeft namelijk alleen betrekking op het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter op de locatie zelf.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/2659
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster
en
Gedeputeerde Staten van Noord Brabant, namens deze Omgevingsdienst Brabant Noord, het college
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken en mr. S.B.Y. van den Berg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers uit ‘sGravenhage (het COA)
(gemachtigden: [naam] en mr. L. van Els).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de nietontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter als gevolg van de realisatie van een asielzoekerscentrum op bedrijventerrein [naam] , gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] .
Verzoekster is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. Zij heeft daartegen beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft zij ook om een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het door verzoekster ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat enerzijds het procesbelang ontbreekt en anderzijds materiële connexiteit ontbreekt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
2. Het COA heeft op 4 februari 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor een flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet. De aanvraag ziet op het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter op het bedrijventerrein [naam] , gelegen aan de [adres] te ’ [vestigingsplaats] (de locatie). Het COA is voornemens aldaar een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) te realiseren. De locatie is, zo volgt uit waarnemingen in juli 2024, het foerageergebied van de steenmarter, met vaste verblijfplaatsen van de steenmarter. Om het terrein bouwrijp te maken worden de binnen de locatie bestaande opstallen, het hekwerk en de aanwezige vegetatie verwijderd.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit met het besluit van 12 augustus 2025 - onder voorschriften - verleend. Als voorschrift geldt onder andere dat bij het verwijderen van de vegetatie langzaam (stapvoets) vanuit het noorden richting het zuiden wordt gewerkt, in de richting van het leefgebied van de steenmarter dat buiten de locatie ligt en dat behouden blijft. Dit leefgebied is feitelijk een smalle groenstrook, deels grenzend aan de locatie. Verder geldt als voorschrift dat op circa 370 meter afstand ten zuiden van de locatie een compensatielocatie van 0,4 hectare moet worden gerealiseerd en dat de bestaande groenstructuren die steenmarters gebruiken om het compensatiegebied te bereiken, worden versterkt.
Met het besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen voormelde omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is geregistreerd onder nummer SHE 26/1680.
De rechtbank heeft op 30 juni 2026 een vooraankondiging verstuurd waarin zij de partijen in de beroepszaak heeft bericht dat het beroep op 15 september 2026 in de middag zal worden behandeld.
Eerst op 4 september 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om, hangende dit beroep, een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres heeft de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat tot een nader door de rechter te bepalen termijn, geen werkzaamheden worden uitgevoerd die leiden tot verwijdering van vegetatie, aantasting of vernietiging van leefgebied, beschadiging of vernietiging van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter, op de locatie.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft – na overleg met het COA, de gemeentelijk ecoloog en de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) – een reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ingestuurd, waarin zij kort gezegd aangeven dat gelet op de stand van de werkzaamheden op de locatie een ordemaatregel om de werkzaamheden stil te leggen niet langer opportuun is.
De ODBN heeft daarop namens het college van gedeputeerde staten de reactie ingezonden dat het beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter al heeft plaatsgevonden, nu het terrein al bouwrijp is gemaakt en het nemen van een ordemaatregel dus geen doel meer treft.
Desgevraagd heeft verzoekster de rechtbank laten weten haar verzoek om een voorlopige voorziening te willen handhaven. Zij wijst erop dat langs delen van het werkgebied nog groenstructuren aanwezig zijn. Verzoekster wil met het verzoek ook voorkomen dat met de voortdurende werkzaamheden op de locatie het (aangrenzende) te behouden leefgebied van de steenmarter of de functionaliteit daarvan wordt aangetast.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 september 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepszaak SHE 26/1680. Hieraan hebben deelgenomen: J. de Ruijter namens verzoekster, de gemachtigden van het college en de gemachtigden van het COA.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Procesbelang
3. Voordat de voorzieningenrechter aan een eventuele inhoudelijke beoordeling van het verzoek toekomt, moet zij eerst de vraag beantwoorden of verzoekster nog een procesbelang heeft bij haar verzoek om voorlopige voorziening.
Procesbelang is het belang dat de indiener van een rechtsmiddel heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat hem voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Procesbelang is er niet als ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat tot een nader door de rechter te bepalen termijn, geen werkzaamheden worden uitgevoerd die leiden tot het verwijderen van vegetatie, en het beschadigen of vernietigen van voortplantings- of rustplaatsen of leefgebied van de steenmarter, op de locatie.
De voorzieningenrechter stelt allereerst het volgende vast. Uit de door het college van burgemeester en wethouders overgelegde brief met foto’s van 7 september 2026 – welke bevindingen worden ondersteund en gedeeld door het college van gedeputeerde staten – blijkt dat er geen voortplantings- of rustplaatsen en ook geen vegetatie meer op de locatie aanwezig is. De bestaande inrichting, zoals de opstallen, het hekwerk en aanwezige vegetatie zijn namelijk onder ecologisch toezicht al verwijderd. Ook is de bodemsanering ter plaatse van de voorheen aanwezige opgaande vegetatie al afgerond. De locatie was op 7 september 2026 een grote lege vlakte met binnen het hele plangebied een verstoring van de bodem vanwege het graven van proefsleuven in verband met het ontgraven en verwijderen van aangetroffen asbesthoudend puin.
[afbeelding niet beschikbaar]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoekster daarom geen procesbelang meer bij (dit onderdeel van) haar verzoek. Het op dit moment stilleggen van de werkzaamheden kan namelijk niet het door verzoekster gewenste gevolg hebben dat de al verwijderde vegetatie en/of de al verwijderde rust-/voortplantings-/verblijfplaatsen van de steenmater op de locatie zelf nog kunnen worden beschermd.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is op dit punt daarom nietontvankelijk, omdat procesbelang ontbreekt.
Voldaan aan formele en materiële connexiteitsvereiste?
4. Verzoekster heeft haar verzoek om een voorlopige voorziening op 10 september 2026 aangevuld. Zij verzoekt ook dat de voorzieningenrechter bepaalt dat tot na enkele dagen dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak, geen verdere werkzaamheden op de locatie plaatsvinden die het naastgelegen te behouden leefgebied van de steenmarter of de ecologische functionaliteit daarvan kunnen aantasten. Zij voert aan dat op en rond de locatie verpakkingen en containers zijn aangetroffen met stoffen die gevaarlijk zijn voor het aquatisch milieu.
Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat de hier bestreden omgevingsvergunning niet ziet op het verstoren van het leefgebied van de steenmarter of op het verstoren van de steenmarter zelf. De omgevingsvergunning is alleen verleend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter op de locatie. De steenmarter is namelijk een nationale soort, die enkel onder nationale bescherming valt. Dat betekent dat voor de steenmarter enkel de verblijfplaats is beschermd.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een hoofdzaak bij de rechter (of in bezwaar bij het bestuursorgaan) aanhangig is. Dit is het zogenoemde formele of processuele connexiteitsvereiste. Daar is in dit geval aan voldaan, aangezien naast deze voorlopige voorziening van verzoekster ook haar beroepszaak SHE 26/1680 aanhangig is.
Het verzoek moet echter ook voldoen aan het vereiste van materiële connexiteit. Dat betekent dat wat gevraagd wordt ook verband houdt met de inhoud van het besluit waartegen beroep is ingesteld.
Het aanvullende verzoek om voorlopige voorziening ziet op het beschermen van het leefgebied van de steemarter op groenstructuren gelegen naast de locatie. Het primaire besluit in de connexe beroepszaak heeft echter alleen betrekking op het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter op de locatie zelf. Dus niet op het beschadigen of vernielen van het (aangrenzende) leefgebied van de steenmarter of het verstoren van de steenmarter zelf.
Het aantasten of vernielen van het resterende, zich buiten de locatie bevindende, leefgebied van de steenmarter, of de ecologische functionaliteit daarvan, valt niet onder het besluit en daarmee ook niet onder de omvang van het in beroep gevoerde geschil. Dat betekent dat ten aanzien van het aanvullende verzoek van verzoekster van 10 september 2026 niet wordt voldaan aan het vereiste van materiële connexiteit.
Vanwege het ontbreken van materiële connexiteit is het verzoek om een voorlopige voorziening ook op dit punt niet-ontvankelijk.
Conclusie
5. Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, omdat enerzijds het procesbelang ontbreekt en anderzijds materiële connexiteit ontbreekt. Dat betekent dat het verzoek niet nader inhoudelijk wordt beoordeeld en dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening zal treffen.
Omdat het verzoek niet-ontvankelijk is bestaat er geen aanleiding voor de vergoeding van de proceskosten van verzoekster of voor restitutie van het griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening nietontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: