Civiel recht overig
Eindbeschikking na tussenbeschikking. Werknemer heeft afgezien van het leveren van bewijs in het kader van de…
Rechtbank Oost-Brabant, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5060 · Rechtbank Oost-Brabant · 10 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/beschikking/ecli-nl-rbobr-2026-5060
Zaakgegevens
Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Datum publicatie
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 11927153_E10072026
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5060
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindbeschikking na tussenbeschikking. Werknemer heeft afgezien van het leveren van bewijs in het kader van de door hem verzochte uitbetaling van overuren.
Procesgang
Rechtbank Oost-Brabant · 14 april 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:4044Rechtbank Oost-Brabant · 10 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:RBOBR:2026:5060
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11927153 EJ VERZ 25-485
Beschikking van 10 juli 2026
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: R.A. van de Voorde, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
INFRAWAY B.V.,
gevestigd en kantoorhoudend in Langenboom,
verwerende partij,
hierna te noemen: Infraway,
vertegenwoordigd door: [A] (bestuurder).
1 Het vervolg van de procedure
Met deze beschikking komt een einde aan de procedure tussen partijen. Deze eindbeschikking van 10 juli 2026 is het vervolg op, en tegelijkertijd het sluitstuk van, de op 7 april 2026 gegeven tussenbeschikking. In die tussenbeschikking heeft de kantonrechter - samengevat - geoordeeld dat Infraway een transitievergoeding aan [verzoeker] moet betalen, maar geen aanzegvergoeding en ook geen minuren. Verder heeft [verzoeker] de mogelijkheid gekregen om bewijs te leveren dat Infraway nog overuren dient na te betalen (zie overwegingen 4.22 tot en met 4.32 van de tussenbeschikking).
[verzoeker] heeft afgezien van het leveren van bewijs. Op 30 april 2026 heeft hij namelijk gevraagd om zijn verzoek te verminderen, in die zin dat [verzoeker] zijn verzoek met betrekking tot de betaling van overuren en de daarmee samenhangende nevenverzoeken (wettelijke verhoging, wettelijke rente en specificaties) intrekt.
Vervolgens is Infraway de gelegenheid geboden om daarop te reageren, maar dat heeft zij niet gedaan.
2 De verdere beoordeling
Voorop wordt gesteld dat de kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 7 april 2026. Dat brengt onder meer mee dat Infraway aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 3.011,58 bruto dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2025. Daarnaast dient Infraway een passende bruto-netto specificatie te verstrekken (zie overwegingen 4.13 tot en met 4.19 van de tussenbeschikking).
De door [verzoeker] gevraagde aanzegvergoeding van € 4.182,75 bruto wordt afgewezen (zie overwegingen 4.2 tot en met 4.12 van de tussenbeschikking). Dat geldt ook voor de verzochte nabetaling van minuren van € 896,20 bruto. Ook dit deel van het verzoek wordt dus afgewezen (zie overwegingen 4.20 en 4.21 van de tussenbeschikking). De aan de aanzegvergoeding en minuren gekoppelde nevenverzoeken worden eveneens afgewezen. Over de aanvankelijk verzochte nabetaling van overuren van € 330,20 bruto behoeft niet meer te worden beslist, omdat [verzoeker] dit deel van het verzoek (met nevenverzoeken) op 30 april 2026 heeft ingetrokken.
De proceskosten (inclusief nakosten) komen voor rekening van Infraway, met name omdat Infraway heeft nagelaten (tijdig) de wettelijke transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen. Voor de kosten van de procedure geldt een forfaitair liquidatietarief. Op basis van dat tarief stelt de kantonrechter de proceskosten aan de kant van [verzoeker] vast op € 1.266,00. Dat bedrag omvat € 257,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde (conform 3.1 van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz van de rechtspraak) en € 144,00 aan nakosten. Hier kan nog een bedrag bijkomen als deze beschikking wordt betekend.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt Infraway om aan [verzoeker] binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een transitievergoeding van € 3.011,58 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals is bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van de transitievergoeding vanaf 20 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald,
veroordeelt Infraway om aan [verzoeker] binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een deugdelijke bruto-netto specificatie te verstrekken,
veroordeelt Infraway in de proceskosten, aan de kant van [verzoeker] vastgesteld op € 1.266,00, te betalen binnen twee weken na deze beschikking, te vermeerderen met de kosten van betekening als Infraway niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.