Belastingrecht
Wet WOZ. WOZ-waarde woning. Beroep ongegrond.
Rechtbank Overijssel, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4783 · Rechtbank Overijssel · 5 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-4783
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- ZWO 24/1183
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4783
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet WOZ. WOZ-waarde woning. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/1183
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de Reg. Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 december 2023.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 678.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Olst-Wijhe voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd.
DOWR heeft de rechtbank bij berichten van 19 mei 2025 en 10 juni 2025 geïnformeerd over afspraken met Previcus Vastgoed, het kantoor van gemachtigde, over de afhandeling van beroepszaken die zien op belastingjaar 2023.
Conform deze partij-afspraken zijn de standaard beroepsgronden uit het oorspronkelijke beroepschrift van 15 januari 2024 en het aanvullende beroepschrift van 27 februari 2024 vervallen. Op 31 maart 2026 en 23 juni 2026 heeft belanghebbendes gemachtigde aanvullende beroepschriften ingediend met daarin enkel de thans nog resterende, relevante beroepsgronden.
In zijn verweerschrift van 28 april 2026 heeft de heffingsambtenaar op het eerste aanvullende beroepschrift van 31 maart 2026 gereageerd en een matrix ingediend.
Over de gronden van 23 juni 2026 is eerst ter zitting van 10 juli 2026 debat gevoerd.
Hieraan hebben deelgenomen: mr. H. Vloet namens belanghebbende, en mr. R.M.E. Vos en [naam], woz-taxateur.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning gebouwd in 2006 met een gebruiksoppervlakte (gbo) van 204 m² en staat op een kavel van 472 m². De woning beschikt verder over een souterrain/woonkelder van 99 m², een dakkapel en een vrijstaande garage.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".
6. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de woning kan worden bepaald met behulp van de vergelijkingsmethode zoals genoemd in artikel 4, eerste lid onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.
7. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in dat kader verwezen naar de in beroep bij het verweerschrift van 28 april 2026 overgelegde taxatiematrix. In deze matrix wordt geconcludeerd tot een (hogere) waarde van de woning op de waardepeildatum van € 693.000,-. Bij de waardebepaling is rekening gehouden met de verkoopprijzen van drie vrijstaande woningen:
-
[adres 2] verkocht voor € 717.000,- en notarieel geleverd op 18 februari 2022;
-
[adres 3], verkocht voor € 745.000,- en notarieel geleverd op 4 april 2022;
-
[adres 4], verkocht voor € 742.500,- en notarieel geleverd op 17 oktober 2022.
8. De in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar met de woning van belanghebbende. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, zoals gbo, bijgebouwen en onderhoudsniveau, is bij de herleiding van de vastgestelde waarde van de woning uit de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate rekening gehouden. Deze verschillen zijn voorts niet van een zodanige omvang dat de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten bij de bepaling van de waarde van de woning niet goed bruikbaar zijn.
9. Belanghebbende voert aan in het aanvullend beroep van 31 maart 2026 (i) dat de ligging van de woning te hoog is gekwalificeerd. Weliswaar ligt de woning in het buurtschap [buurtschap] met een redelijk vrije ligging wat een waardevermeerderend effect heeft, daartegenover staat (ii) dat in het buurtschap nagenoeg geen voorzieningen aanwezig zijn zoals een supermarkt, basisschool of sportvereniging. Daarnaast is er matige straatverlichting, zijn er onveilige trottoirs en ontbreekt een verbinding met het openbaarvervoer. De dichtstbijzijnde voorzieningen liggen op vier kilometer. (iii) De vergelijkingsobjecten [adres 5] en [adres 6] liggen in een plaats waar die voorzieningen wel voorhanden zijn. (iv) De woning heeft geen betere ligging dan de gemiddelde ligging van [adres 6]. (v) Het vergelijkingsobject [adres 2] heeft een nagenoeg identieke ligging als de onderhavige woning en is in een plaats gelegen waar wel een school aanwezig is. Desondanks is de ligging van dit vergelijkingsobject lager gekwalificeerd. (vi) Met een verlaging van de ligging tot ‘gemiddeld’ (niveau 3) en dus een grondwaarde van € 122.720,- dient de WOZ-waarde van de woning te worden vastgesteld op € 667.000,-.
10. De heffingsambtenaar stelt in zijn verweerschrift dat in een matrix bij het verweerschrift de waarde van de woning is herberekend op € 693.000,- en daarmee boven de WOZ-waarde. [adres 5] en [adres 6] zijn niet langer vergelijkingsobjecten, waarmee de gronden (iii) en (iv) geen doel treffen. Specifiek heeft de heffingsambtenaar thans gelet op vergelijkingsobjecten met een vergelijkbare ligging als de woning en de grondwaarde conform verzoek vastgesteld op € 122.720,-.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning voldoende inzichtelijk gemaakt. Het is de heffingsambtenaar toegestaan de vergelijkingsobjecten in elke fase van het geding te vervangen voor betere. Op basis van de nieuwe vergelijkingsobjecten is de ligging vastgesteld op het niveau waarom belanghebbende specifiek verzocht heeft, namelijk ‘gemiddeld’ (niveau 3). De heffingsambtenaar heeft geen reden hoeven zien de ligging verder te verlagen, vooral ook niet omdat belanghebbende dat op geen enkele manier heeft onderbouwd. Om die redenen kan de beroepsgrond niet slagen.
12. Belanghebbende voert in zijn aanvullend beroepschrift van 23 juni 2026 aan dat de vergelijkingsobjecten [adres 4] en [adres 3] over enorme schuren beschikken. De heffingsambtenaar kiest voor een stuksprijs van € 5.000,-, wat onrealistisch is voor schuren met een oppervlakte van 225 m², 131 m², 64 m² en 450 m². De heffingsambtenaar dient (via staffeling) te waarderen per vierkante meter voor de bijgebouwen, omdat dit effect heeft op de woningwaarde en schuren financieel gezien van grote betekenis (kunnen) zijn. De schuur van 225 m² van [adres 3] vertegenwoordigt een waarde van € 25.225,-. De waarde van de hoofdbouw daalt en de prijs per eenheid wordt daarmee € 2.510,63 van dit vergelijkingsobject. De schuren van [adres 4] vertegenwoordigen een waarde van € 70.225,-, wat resulteert in een (lagere) prijs per eenheid van de hoofdbouw van € 2.130,-. Na doorberekening wordt de gemiddelde prijs per eenheid € 2.545,28 per vierkante meter. Na correctie voor de grootte van de woning is de prijs per eenheid € 2.321,-. Dat leidt ertoe dat de WOZ-waarde dient te worden vastgesteld op € 647.000,-.
13. De heffingsambtenaar voert naar aanleiding van laatstgenoemde stelling ter zitting het verweer dat DOWR tot op heden noodgedwongen, consequent en standaard, een forfaitaire stuksprijs hanteert voor schuren, ongeacht de grootte etc. daarvan. Dat heeft meerdere oorzaken: DOWR beschikt thans nog niet over (voldoende) gegevens in het buitengebied. Niet alleen de grootte van schuren speelt een rol maar ook de bij DOWR niet bekende onderhoudsstaat van schuren, het bouwjaar, het gebruik er van, koudv-factoren en of er asbest in daken zit etc. DOWR is in de waardering van schuren in het buitengebied consequent en past tot op heden die forfaitaire methodiek zonder uitzondering nog steeds toe: vanwege het ontbreken van genoegzame informatie van DOWR worden alle genoemde schuren tot op heden (vooralsnog tot op heden) als stuksprijs in de matrix vermeld ongeacht hun bouwjaar, gebruik, status en overige.
14. De rechtbank overweegt dat deze forfaitaire benadering vooralsnog de rechterlijke toetsing kan doorstaan, ook al wordt de werkelijkheid daardoor in zekere zin geweld aangedaan, omdat bijv. staffeling ontbreekt, maar tegelijkertijd geldt dat staffeling qua grootte betrekkelijk weinig betekenis heeft zolang de KOUDV-factoren niet inzichtelijk in kaart zijn (gebracht). Tot op heden heeft dat onderzoek kennelijk nog niet kunnen plaatsvinden voor wat betreft schuren in het buitengebied.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de WOZ-waarde in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Oosterhaar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.