Belastingrecht

Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk…

Rechtbank Overijssel, 12 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 12 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
ak_25_921
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:4946
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is, laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.De rechtbank stelt allereerst vast dat de termijnoverschrijding van ruim drie maanden aanzienlijk is. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 4 september 2024 (opnieuw) in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Belanghebbende heeft niet binnen de gegeven termijn redenen opgegeven op grond waarvan de heffingsambtenaar had kunnen of moeten vaststellen dat het te laat indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar was. Van een verontschuldiging voor het verzuim is niet gebleken. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/921


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

en

de directeur van GBTwente, de heffingsambtenaar.

Inleiding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 10 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] (de woning) per 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 516.000,- (de beschikking).

Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Losser voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).

Belanghebbende heeft op 4 juli 2024 een bezwaarschrift ingediend.

Met de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat het bezwaar buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken is ingediend.

De heffingsambtenaar heeft de voor 2024 vastgestelde WOZ-waarde tevens ambtshalve heroverwogen en de waarde gehandhaafd.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een Adviesformulier WOZ en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak op 6 augustus 2026 ter zitting behandeld. Belanghebbende is ter zitting verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam 1] bijgestaan door [naam 2], WOZ-taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

Belanghebbende is eigenaar van de vrijstaande woning op genoemd adres in [plaats].

De woning staat op grond met een agrarische bestemming.

Standpunten

1. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft in maart 2022 een taxatierapport (gedateerd 2 februari 2022) aan de gemeente Losser toegezonden en hij veronderstelde dat dit aldus zou worden verwerkt in de gemeentelijke administratie.

2. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond is, omdat het bezwaarschrift van 5 juli 2024 terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft ondanks het verzoek in de brief van 4 september 2024 geen redenen opgegeven waaruit kan blijken dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is.

2.1.

De heffingsambtenaar stelt zich verder op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard omdat ook bij de ambtshalve herbeoordeling is gebleken dat de WOZ-waarde voor 2024 in elk geval niet meer dan 20% en minimaal € 5.000,- te hoog is vastgesteld.

Volgens de heffingsambtenaar heeft hij overigens geen taxatierapport ontvangen. Uit een van de bijlagen bij het beroepschrift (een print van een verzendbericht, aangeduid als ‘prod. 3) blijkt slechts dat belanghebbende op 25 september 2024 het - gedateerde - taxatierapport van 2 februari 2022 heeft verzonden naar een onjuist e-mailadres, te weten een e-mailadres eindigend op gbttwente.nl.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Is het bezwaarschrift te laat ingediend?

4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.

5. Als de dagtekening een datum is voor de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn op de post is gedaan en niet later dan een week na afloop van de termijn door het bestuursorgaan is ontvangen.

6. De dagtekening van de WOZ-beschikking is 10 februari 2024. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending van deze beschikking later dan die datum heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat hij de WOZ-beschikking daags nadien of enkele dagen nadien heeft ontvangen.

7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken verstreek op 26 maart 2024. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift eerst op 5 juli 2024 ontvangen. Het bezwaar is ruim drie maanden na het verstrijken van de bezwaartermijn en daarmee niet tijdig ingediend.

Is het te laat indienen verontschuldigbaar?

8. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is, laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat de termijnoverschrijding van ruim drie maanden aanzienlijk is.

10. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 4 september 2024 (opnieuw) in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken schriftelijk en gemotiveerd aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend.

11. Belanghebbende heeft niet binnen de gegeven termijn de redenen opgegeven voor het niet tijdig indienen van het bezwaar. Er zijn dan ook geen redenen opgegeven op grond waarvan de heffingsambtenaar had kunnen of moeten vaststellen dat het te laat indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar was.

12. Van een verontschuldiging voor het verzuim is niet gebleken. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing:

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

J.M. van Westerlaak, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:11 van de Awb.