Bestuursprocesrecht
Wet schadefonds geweldsmisdrijven. De rechtbank oordeelt dat de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven…
Rechtbank Overijssel, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:3752 · Rechtbank Overijssel · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-3752
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/3908
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:3752
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet schadefonds geweldsmisdrijven. De rechtbank oordeelt dat de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven terecht een uitkering heeft toegekend op grond van letselcategorie 1. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3908
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, de CSG,
(gemachtigde: mr. L.A. Neuman).
Zitting hebben: mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Verschenen zijn:
-
Eiser: [eiser],
-
namens de CSG: de gemachtigde.
Alle in dit proces-verbaal opgenomen verklaringen zijn zakelijk weergegeven.
De rechter opent het onderzoek ter zitting.
Mede naar aanleiding van vragen van de rechter lichten partijen hun standpunten toe.
Na sluiting van het onderzoek doet de rechter onmiddellijk uitspraak.
Beslissing
Het beroep is ongegrond
Motivering van de beslissing
1. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie 2024 (hierna: de beleidsbundel).
Uit onderdeel E4 van de beleidsbundel blijkt dat indien sprake is van samenloop van diverse letsels, de hoogte van de uitkering wordt bepaald op basis van de letselcategorie die bij het meest ernstige letsel pas.
In de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven 1 juli 2024 (hierna: de letsellijst) staat op pagina 1 dat het schadefonds zes letselcategorieën gebruikt waaraan vaste bedragen zijn gekoppeld.
In de letsellijst staat bij psychisch letsel bij letselcategorie 1 omschreven: “Diagnose door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel, en eventueel een behandeling van maximaal 6 sessies.”.
In de letsellijst staat in de lijst met fysieke letsels dat een “Fractuur van de neus (al dan niet gerepositioneerd onder lokale verdoving) eveneens valt in letselcategorie 1.
[eiser] heeft ter zitting erkend dat hij tot nu toe 3 EMDR behandelingen heeft gehad.
Verder had hij als gevolg van de mishandeling een gebroken neus, die zonder operatieve ingreep is hersteld.
Gelet hierop heeft het CSG [eiser] terecht een uitkering toegekend op grond van letselcategorie 1. Volgens pagina 1 van de letsellijst hoort bij letselcategorie 1 een uitkering van € 1.000,00.
Het CSG is dus terecht en op goede gronden tot haar besluit gekomen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026 door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M ten Kate, griffier.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.