Bestuursprocesrecht
Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking van…
Rechtbank Overijssel, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6551 · Rechtbank Overijssel · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6551
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/3797
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6551
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking van documenten over – kort gezegd – het verkeerskundig rapport over de verkeerssituatie in verband met het ‘projectplan Telgendijk’ in Enschede. Het college heeft een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt, waaronder de offerte en de opdrachtverlening voor het opstellen van het rapport. Eiser is het er niet mee eens dat enkele passages van deze twee documenten zijn weggelakt. In de loop van de beroepsprocedure heeft het college deze passages alsnog openbaar gemaakt. De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over de besluitvorming van het college over het verzoek. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk en komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3797
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser]), eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college), verweerder (gemachtigden: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2] en mr. J. Jacobs).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van [eiser] op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking van documenten over – kort gezegd – het verkeerskundig rapport over de verkeerssituatie in verband met het ‘projectplan Telgendijk’ in Enschede. Het college heeft een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt, waaronder de offerte en de opdrachtverlening voor het opstellen van het rapport. [eiser] is het er niet mee eens dat enkele passages van deze twee documenten zijn weggelakt. In de loop van de beroepsprocedure heeft het college deze passages alsnog openbaar gemaakt. De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen procesbelang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over de besluitvorming van het college over het verzoek. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk en komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 25 augustus 2025 heeft het college een verzoek van [eiser] op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) gedeeltelijk toegewezen. Met een besluit van 18 december 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 25 augustus 2025 ongegrond verklaard en is het college bij dat besluit gebleven.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In de loop van de beroepsprocedure heeft het college alsnog enkele passages van twee documenten openbaar gemaakt, waarvan de openbaarmaking in het besluit van 25 augustus 2025 was geweigerd. [eiser] heeft naar aanleiding daarvan aanvullende beroepsgronden ingediend.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft daarna opnieuw aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Op 9 juli 2025 heeft [eiser] de minister op grond van de Woo verzocht om het openbaar maken van het verkeerskundig rapport dat in opdracht van de gemeente Enschede door of namens een extern bureau (hierna: het bureau) is opgesteld over de verkeerssituatie in verband met de ontwikkeling ‘projectplan Telgendijk’ in Enschede, de documenten over de onderzoeksopdracht van de gemeente aan dit bureau en alle communicatie tussen de gemeente en dit bureau over de formulering en afstemming van de opdracht, de uitwerking van het onderzoek, de oplevering van het rapport, eventuele aanpassingen of revisies en verdere communicatie over de inhoud en verwerking van het rapport.
4. Met het besluit van 25 augustus 2025 heeft het college het Woo-verzoek gedeeltelijk toegewezen. Het college heeft twee documenten volledig openbaar gemaakt. Ook heeft het college zeventien documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt, waaronder de offerte en opdrachtverlening voor het verkeersonderzoek. Het college heeft (onder meer) geweigerd enkele passages van de offerte en opdrachtverlening openbaar te maken vanwege het belang van het goed functioneren van (de bestuursorganen van) de gemeente. Het college heeft dit gebaseerd op de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo.
5. Met het bestreden besluit heeft het college het besluit van 25 augustus 2025 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering van de weigering om de passages van de offerte en opdrachtverlening openbaar te maken op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo.
Is het indienen van een nieuwe beroepsgrond in strijd met de goede procesorde?
6. [eiser] heeft op de zitting aangevoerd dat het college niet alle documenten openbaar heeft gemaakt die onder de reikwijdte van zijn Woo-verzoek vallen. Hij heeft gesteld dat het niet anders kan dan dat het college meer documenten heeft over de communicatie tussen de gemeente en het bureau, met name over de wijziging van de scope van het verkeersonderzoek. [eiser] heeft in dat kader aangevoerd dat hij tijdens de bezwaarprocedure heeft gevraagd om een nieuwe zoekslag en dat het college dit heeft aangemerkt als een nieuw Woo-verzoek. Verder heeft hij aangevoerd dat hem is beloofd dat in het besluit op bezwaar zou worden ingegaan op de nieuwe zoekslag, maar dat hij dit niet terugziet in het bestreden besluit.
De rechtbank stelt vast dat [eiser] deze beroepsgrond niet eerder heeft aangevoerd. Zoals de rechtbank op de zitting al heeft meegedeeld, is zij van oordeel dat het op dit late moment aanvoeren van deze nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] deze beroepsgrond al veel eerder had kunnen aanvoeren. Doordat hij dit pas op de zitting heeft gedaan, heeft het college hier niet adequaat op kunnen reageren. Daarbij komt dat niet alle stukken die nodig zijn om deze grond goed te kunnen beoordelen in het dossier zitten. Dit betekent dat de rechtbank de behandeling zou moeten aanhouden, als zij deze nieuwe beroepsgrond zou toelaten. De rechtbank is van oordeel dat dat zou leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de afdoening van het beroep. Daarom heeft de rechtbank besloten om deze nieuwe beroepsgrond buiten beschouwing te laten.
Heeft [eiser] nog (proces)belang bij beoordeling van het beroep?
7. Het college stelt zich op het standpunt dat [eiser] geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep. Daartoe voert het college aan dat het kernpunt van het beroep is dat ten onrechte op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo is geweigerd de passages van de offerte en opdrachtverlening openbaar te maken. Deze passages gaan over de opdracht voor het onderzoeken van het effect van een eventuele afsluiting van de brug over het spoor op de Noord Esmarkerrondweg (hierna: de spoorbrug). Het college heeft toegelicht dat bij het publiceren van de conceptwijzigingen van het omgevingsplan voor het project Telgendijk (hierna: het omgevingsplan) per ongeluk het verkeerde (concept-)verkeersonderzoek is gevoegd. In dit onderzoek staan ook de conclusies over de afsluiting van de spoorbrug. [eiser] heeft dit document gezien en daarover vragen gesteld aan het college. Omdat uit de context af te leiden viel wat er (ongeveer) in de weggelakte passages in de offert en opdrachtverlening staat, heeft het college besloten om deze passages alsnog openbaar te maken. [eiser] heeft deze documenten op 9 januari 2026 per e-mail van het college ontvangen, waarbij alleen de persoonsgegevens en financiële gegevens waren weggelakt onder toepassing van andere weigeringsgronden dan die bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. Het college stelt dat het alsnog openbaar maken van deze passages ertoe leidt dat [eiser] geen procesbelang meer heeft.
[eiser] is van mening dat hij, ondanks het feit dat de passages inmiddels openbaar zijn gemaakt, nog (proces)belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank aan de hand van zijn beroepsgrond. Daarbij wijst hij op de precedentwerking, de structurele toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo door het college en het belang van effectieve rechtsbescherming. Verder voert [eiser] aan dat momenteel bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een beroepsprocedure loopt tegen het omgevingsplan en dat één van de beroepsgronden is gericht tegen de verkeerskundige onderbouwing van dat plan. Volgens [eiser] behoort (de afbakening van) de onderzoeksopdracht dan ook tot het onderwerp van een lopend geschil.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep. Zij zal dit hierna uitleggen.
Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de eiser voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de eiser van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van zijn rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. De bestuursrechter is niet geroepen om uitspraak te doen uitsluitend wegens de principiële betekenis ervan. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet in dat geval tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan ook nog zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Het moet dan wel aannemelijk zijn dat die besluitvorming zich in de toekomst voordoet.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen procesbelang meer heeft. Het beroep van [eiser] is gericht tegen de weigering van het college om enkele passages van de offerte en opdrachtverlening openbaar te maken op grond van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het college deze passages in de loop van de beroepsprocedure alsnog openbaar heeft gemaakt. Daarmee heeft [eiser] al bereikt wat hij met zijn beroep wilde bereiken. [eiser] heeft niet gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een inhoudelijk oordeel van de rechtbank betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. De enkele stelling dat het college de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo structureel (onjuist) toepast en dat een uitspraak van de rechtbank precedentwerking heeft zijn daarvoor onvoldoende. Het college heeft terecht opgemerkt dat, als het in de toekomst een besluit neemt in het kader van de Woo en daarbij de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo wordt toegepast, sprake is van een nieuwe situatie, in een nieuwe context en met een nieuwe belangenafweging. Bovendien heeft [eiser] niet gesteld dat er concrete redenen zijn om aan te nemen dat het college in de toekomst een vergelijkbaar besluit zal nemen. Ook de omstandigheid dat het verkeerskundig onderzoek waarop de offerte en opdrachtverlening betrekking hebben onderwerp van geschil is in een lopende beroepsprocedure bij de Afdeling maakt niet dat [eiser] belang heeft bij een oordeel over de door hem opgeworpen vragen of het college kon weigeren de passages van deze documenten openbaar te maken op basis van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo en of het college zijn standpunt daarover voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van [eiser].
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Het college moet wel het griffierecht aan [eiser] vergoeden, omdat hij op het moment dat hij het beroep instelde nog wel procesbelang had. [eiser] krijgt geen proceskostenvergoeding, omdat niet is gebleken dat hij proceskosten heeft gemaakt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan [eiser] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.