Bestuursprocesrecht
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Beroep niet tijdig beslissen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt…
Rechtbank Rotterdam, 5 november 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15243 · Rechtbank Rotterdam · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15243
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/2363
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15243
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Beroep niet tijdig beslissen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de vaststellingsovereenkomst ook bedoeld is het besluit van 21 augustus 2024 onder de finale kwijtingsbepaling te scharen. Eiseres heeft daarom procesbelang bij dit beroep gericht tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar tegen dat besluit. Beroep gegrond.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2363
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J. van den Ende,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 21 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Overwegingen
-
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
-
Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld voor een herstelmaatregel op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft daarover een beschikking gegeven, waartegen eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend.
Heeft eiseres procesbelang?
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres heeft namelijk op 23 december 2024 een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten met de Staat der Nederlanden (de Staat) in het kader van de bezwaren tegen de integrale beoordeling, onder verlening van finale kwijting. Om die reden is eiseres niet langer in afwachting van een besluit op haar bezwaar.
4. Eiseres voert aan dat de vso geen betrekking heeft op het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHOA, zodat de vso dus ook geen einde heeft gemaakt aan die bezwaarprocedure. Eiseres is dus nog steeds in afwachting van een besluit op het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres niet meer in afwachting is van een besluit op haar bezwaar, en dus dat eiseres procesbelang heeft. De rechtbank licht dat toe.
Verweerder heeft op 14 november 2022 vier besluiten genomen. Met de besluiten met kenmerk UHT-DHR en UHT-DC heeft verweerder de jaren 2010 en 2014 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres voor die jaren in aanmerking komt voor compensatie. Met de besluiten met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A heeft verweerder de aanvraag om compensatie voor het toeslagjaar 2011 afgewezen. Eiseres heeft op 20 december 2022 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
Met het besluit van 21 augustus 2024 heeft verweerder de overige, nog niet beoordeelde, toeslagjaren beoordeeld en de aanvraag om compensatie afgewezen voor de jaren 2005 tot en met 2009, 2012, 2013 en 2015 tot en met 2019. Tegen dit besluit heeft eiseres op 13 september 2024 bezwaar gemaakt.
Op 23 december 2024 is de vso tot stand gekomen tussen eiseres en de Staat. In de vso worden de vier besluiten van 14 november 2022 verkort aangeduid als ‘de Beschikking’. Het besluit van 21 augustus 2024 wordt in de vso niet genoemd. Eiseres en de Staat zijn in de vso onder meer overeengekomen dat de Staat aan eiseres een bedrag van € 5.000,- betaalt en dat eiseres het bezwaar van 20 december 2022 gericht tegen ‘de Beschikking’ intrekt. Uit de vso volgt verder dat eiseres, met het sluiten van de vso, ermee akkoord gaat dat ‘de Beschikking’ onherroepelijk wordt. Als gevolg hiervan komen de in ‘de Beschikking’ opgenomen gedupeerde jaren definitief in rechte vast te staan.
Uit de tekst van de vso leidt de rechtbank af dat de vso tot doel had een einde te maken aan het bezwaar gericht tegen de vier besluiten van 14 november 2022. Dit volgt uit het gegeven dat in de vso alleen deze besluiten als ‘de Beschikking’ zijn gedefinieerd. Wanneer van deze definitie wordt uitgegaan, staat in de considerans van de overeenkomst dus dat slechts de vier besluiten van 14 november 2022 onherroepelijk zijn geworden en dat slechts tegen die besluiten geen rechtsmiddel meer openstaat. De in het besluit van 21 augustus 2024 beoordeelde toeslagjaren zijn, gelet op de tekst van de vso, naar het oordeel van de rechtbank dus niet ondervangen met de vso. Het feit dat in artikel 6 van de vso is opgenomen dat eiseres de Staat finale kwijting verleent ter zake van al hetgeen eiseres ten aanzien van de integrale beoordeling heeft te vorderen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat onder ‘de integrale beoordeling’ ook het besluit van 21 augustus 2024 moet worden begrepen, is immers niet zonder meer aannemelijk, omdat de tekst van de vso zich voor het overige beperkt tot de vier besluiten van 14 november 2022. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat, los van de letter van de overeenkomst, ook bedoeld is het besluit van 21 augustus 2024 onder de finale kwijtingsbepaling te scharen. Het bezwaar van eiseres, gericht tegen het besluit van 21 augustus 2024, was ten tijde van het sluiten van de vso reeds bij verweerder bekend. Als het de bedoeling was om ook ten aanzien van dat besluit tot finale overeenstemming te komen, had het voor de hand gelegen dat dat besluit ook in de vso werd vermeld.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 augustus 2024 niet met het sluiten van de vso is beëindigd. Eiseres heeft daarom nog procesbelang bij haar beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
Dwangsom
6. Eiseres heeft op 13 september 2024 bezwaar gemaakt. De beslissing is met zes weken verdaagd. Uit het dossier blijkt niet dat het bezwaar wordt voorgelegd aan een adviescommissie. De laatste dag van de wettelijke beslistermijn was 27 december 2024. Eiseres heeft verweerder na die datum in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
7. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft op 10 april 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
8. Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Verweerder moet in beginsel binnen 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit op bezwaar bekendmaken. Sinds 27 december 2024 zijn meer dan 60 weken verstreken. Verweerder moet daarom binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op bezwaar bekendmaken.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Indien een sterke prikkel nodig is (hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang), wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat als op het moment van het beslissen op het beroep al 60 weken zijn verstreken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn, aan de opdracht om een besluit te nemen een sterke prikkel kan worden verbonden, bestaande uit een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sterke prikkel nodig. De hoofdoorzaak van de structurele overschrijding van de beslistermijnen ligt niet bij de organisatie en capaciteit van verweerder, maar bij de wetgever, die bewust een regeling met feitelijk onhaalbare beslistermijnen heeft aanvaard. Van gebleken weigerachtigheid bij verweerder is daarom geen sprake. Evenmin is gebleken dat het belang van eiseres zo groot is, dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
-
draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op het bezwaar van eiseres;
-
bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
-
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoedt;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 november 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.