Bestuursprocesrecht
Verkeersbesluit. Ordemaartregel wordt opgeheven. Geen spoedeisend belang.
Rechtbank Overijssel, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6556 · Rechtbank Overijssel · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/bestuursprocesrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6556
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/2887
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6556
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verkeersbesluit. Ordemaartregel wordt opgeheven. Geen spoedeisend belang.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/2887
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] N.V., uit [vestigingsplaats],
hierna: [eiser],
(gemachtigde: mr. A. van Lohuizen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,
hierna: het college,
(gemachtigden: mr. A.J. Jaspers).
1 Samenvatting
Op 21 oktober 2026 heeft het college een verkeersbesluit genomen, waarbij onder meer de [adres] in Zwolle voor (in beginsel) een periode van 21 maanden wordt afgesloten. [eiser] is met haar kantoor gevestigd aan deze straat en is het met dit besluit niet eens. [eiser] heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en heeft op
22 oktober 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen evenals een ordemaatregel te treffen, omdat met ingang van 23 oktober 2026 de betreffende weg zou worden afgesloten.
Op 22 oktober 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat het college geen uitvoering mag geven aan het verkeersbesluit totdat het verzoek om voorlopige voorziening op zitting is behandeld op 30 oktober 2026.
Op 30 oktober 2026 heeft de behandeling ter zitting plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet niet langer aanleiding de ordemaatregel te handhaven. In deze uitspraak heft de voorzieningenrechter deze daarom op.
2 Inleiding: feiten en procesverloop
Op 21 oktober 2026 heeft het college een verkeersbesluit genomen. Dat besluit ziet (onder meer) op het gesloten houden van een deel van de [adres] in Zwolle ten behoeve van bouwfase 3 voor het woningbouwproject De Zwaan. De verkeersmaatregelen die in het besluit zijn getroffen gelden vanaf 12 oktober 2026 tot en met 1 juli 2028 of zoveel eerder of langer indien nodig.
Het kantoor van [eiser] is gevestigd aan het gedeelte van de [adres] dat zal worden afgesloten. Zij is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen op 22 oktober 2026 bezwaar gemaakt.
Daarnaast heeft zij op die datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat haar bekend was geworden dat de straat per 23 oktober 2026 zou worden afgesloten, heeft zij de voorzieningenrechter ook verzocht een ordemaatregel te treffen.
Op 22 oktober 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], vertegenwoordigd door [naam 1], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3].
3 Beoordeling door de voorzieningenrechter
Aan het treffen van de ordemaatregel op 22 oktober 2026 lag, zoals in de maatregel overwogen, met name ten grondslag dat het college niet (tijdig) inhoudelijk heeft gereageerd op het verzoekschrift en de daarin gestelde spoedeisendheid van het verzoek en de noodzaak van de wegafsluiting per 23 oktober 2026.
De voorzieningenrechter heft de ordemaatregel nu op. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat er aan de zijde van [eiser] geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat maakt dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de bezwaarschriftenprocedure afwacht. Bepalend voor dit oordeel is dat, anders dan waar [eiser] bij het indien van het verzoekschrift van uit ging, geen sprake is van onomkeerbare gevolgen van de afsluiting. De weginrichting wordt niet veranderd, er worden slechts verkeersborden en schrikhekken geplaatst. Verder neemt de voorzieningenrechter mee dat [eiser] gedurende deze periode bereikbaar blijft, dat er sprake is van een relatief korte omrijroute en dat voor zover het verzoek ziet op de verkeersveiligheid inmiddels duidelijk is dat er een advies van de korpschef van de politie alsook een verkeerskundige beoordeling ten grondslag ligt aan het verkeersbesluit. [eiser] heeft onvoldoende kunnen onderbouwen dat desondanks op korte termijn acuut gevaar zal ontstaan vanwege de voorgenomen uitvoering van het verkeersbesluit. Daartegenover neemt de voorzieningenrechter mee dat het college en de aannemer de noodzaak van de wegafsluiting inmiddels hebben toegelicht, en dat zij belang hebben bij het kunnen voortzetten van het bouwproject. Dit alles in overweging nemend, leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat er niet langer reden bestaat de ordemaatregel te handhaven. De ordemaatregel wordt opgeheven.
4 Conclusie en gevolgen
De voorzieningenrechter heft de ordemaatregel van 22 oktober 2026 op. Dat betekent dat het college (weer) uitvoering mag geven aan het verkeersbesluit van 21 oktober 2026. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter heft de ordemaatregel van 22 oktober 2026 op.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.