Civiel recht overig

Wijziging zorgregeling 1:265g BW. Kinderrechter sluit aan bij aanwijzingen in beschikking van gerechtshof in…

Rechtbank Overijssel, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
C/08/347721 / JE RK 26-741
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:4767
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wijziging zorgregeling 1:265g BW. Kinderrechter sluit aan bij aanwijzingen in beschikking van gerechtshof in hoger beroep. (Opbouw)regeling conform zelfstandig verzoek moeder. Regie GI ziet alleen op begin- en eindtijden

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummer: C/08/347721 / JE RK 26-741

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam,

en

de heer en mevrouw [de pleegouders] ,

wonende op een bij de kinderrechter bekend adres,

hierna te noemen de pleegouders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2026;

  • de brieven met bijlagen van de GI, ontvangen op 4 juni 2026;

  • het verweerschrift van de moeder, tevens zelfstandig verzoek, met bijlage, ontvangen op 2 juli 2026;

  • de brieven van de GI, ontvangen op 2 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- [naam 1] en [naam 2] , vertegenwoordigers van de GI;

- de pleegouders.

1.3.

Tegelijkertijd is behandeld het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (zaaknummer C/08/348471 / JE RK 26-902).

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

2.2.

[minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van vandaag de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 1 augustus 2027 en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin verlengd tot 25 februari 2027.

2.4.

Bij beschikking van 25 juni 2026 is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van de kinderrechter van 29 januari 2026 (waarbij de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] was verlengd tot 1 augustus 2026) bekrachtigd door het gerechtshof, maar op andere gronden dan de kinderrechter.

In die beschikking van het gerechtshof is onder andere het volgende opgenomen”

“5.7. Op grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat er moet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige 1] . Omdat [minderjarige 1] al geruime tijd bij de pleegouders verblijft en zich aan hen heeft gehecht, zal de thuisplaatsing niet van de ene op de andere dag kunnen plaatsvinden. Dit vindt de moeder zelf ook. Zij heeft een gefaseerde thuisplaatsing over een periode van zes tot acht maanden voorgesteld. Het hof sluit zich hierbij aan en acht het in het belang van [minderjarige 1] dat er in de komende zes tot acht maanden wordt toegewerkt naar zijn thuisplaatsing. Die tijd is nodig om de thuisplaatsing van [minderjarige 1] zorgvuldig voor te bereiden en in kaart te brengen welke hulpverlening thuis nodig is vanaf de terugkeer van [minderjarige 1] , zodat de thuisplaatsing bestendig zal zijn. Om dat doel te bereiken verwacht het hof dat de GI actief zal meewerken aan de voorbereidingen voor de thuisplaatsing van [minderjarige 1] . In verband daarmee zal de GI zo spoedig mogelijk de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige 1] verder moeten uitbreiden in duur en frequentie. In de tussentijd kunnen de persoonlijke behandeling van de moeder en de ouder-kindbehandeling vanuit de Jeugd-GGZ doorgang vinden. De ouder-kindbehandeling is naar aanleiding van een vraag vanuit de GI gericht op het verkrijgen van zicht op de emotionele beschikbaarheid van de moeder. Het hof merkt hierbij op dat het verloop van deze behandeling er niet toe mag leiden dat er door de GI niet actief wordt gewerkt aan de thuisplaatsing van [minderjarige 1] .

5.8.

Omdat de thuisplaatsing van [minderjarige 1] niet in de komende maand al kan worden gerealiseerd, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Dit echter op andere gronden en met een ander doel dan de kinderrechter tot uitgangspunt heeft genomen.”

2.5.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 mei 2024 de volgende regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld: [minderjarige 1] heeft tweemaal per week voor de duur van een uur begeleide omgang met de moeder.

2.6.

Op dit moment geldt er een begeleide omgangsregeling van twee keer per week voor de duur van twee uur.

3 Het (gewijzigde) verzoek

3.1.

Het oorspronkelijke verzoek wijziging (inperking) van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken is door de GI gewijzigd. Dit naar aanleiding van genoemde uitspraak van het gerechtshof. De GI verzoekt nu te bepalen dat de regie over de omgang bij de GI ligt en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI kan de begeleide omgang dan monitoren, als deze verder wordt uitgebreid. [minderjarige 1] kan zo gevolgd worden en er kan worden bekeken wat passend is voor hem; wat is zijn ritme en wat kan hij aan. De omgang moet nog met alle betrokkenen/professionals worden besproken. Het is daarom volgens de GI nu nog onvoldoende duidelijk welke concrete verdeling van de zorg- en opvoedtaken er kan worden vastgelegd. De GI verzoekt daarom te bepalen dat de GI de regie krijgt over de omgang en uitbreiding van het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder, waarbij de uitspraak van het gerechtshof zo veel mogelijk wordt gevolgd.

3.2.

Volgens de GI heeft de uitspraak van het gerechtshof een schok en verwarring teweeg heeft gebracht bij de betrokken professionals. De uitspraak is niet in lijn met de visie van de hulpverlening en de eerdere beschikking van de kinderrechter. De GI heeft ter zitting echter aangegeven te willen handelen naar de uitspraak van het gerechtshof. De GI heeft daartoe twee nieuwe jeugdbeschermers aangesteld om het proces van de uitbreiding van omgang en thuisplaatsing te begeleiden.

4 Het verweer van de moeder en het zelfstandig verzoek

4.1.

De moeder is niet akkoord met het gewijzigde verzoek van de GI. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat de GI een voortvarende uitbreiding van de zorg- en opvoedtaken en afbouw van de begeleiding zal realiseren. Ook niet als de kinderrechter bepaalt dat de omgang in zes maanden helemaal moet zijn opgebouwd tot [minderjarige 1] weer thuis komt wonen. Gelet op hoe het in het verleden is gegaan, waarbij de GI opdrachten van de rechtbank niet heeft uitgevoerd, bestaat er een groot risico dat de GI onvoldoende stappen zal zetten. Dat er nieuwe jeugdbeschermers zijn aangesteld maakt dat voor de moeder niet anders. De GI neemt al twee jaar lang alle beslissingen met de gedragswetenschapper en het management en zij stonden altijd achter de beslissingen van de vorige jeugdbeschermers. Ook vindt de moeder het treurig dat er mogelijk weer een andere organisatie moet worden gezocht voor begeleiding van de omgang, terwijl gewerkt moet worden aan thuisplaatsing. De moeder wil een start maken met de opbouw van de omgang en wenst vastlegging van een schema met concrete stappen, direct vanaf het begin, ook om de beschikking van het gerechtshof goed te kunnen uitvoeren. Regie van de GI is niet nodig omdat de moeder er open voor staat om na elk omgangsmoment te evalueren met Curess, de pleegouders en de GI over hoe het is gegaan. Bij een meningsverschil kan de kinderrechter worden ingeschakeld.

4.2.

De moeder verzoekt daarom, als zelfstandig verzoek, ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te bepalen dat de omgang wordt uitgebreid zoals opgenomen in haar verweerschrift onder punt 35. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat het haar vooral gaat om het aantal uren omgang en niet om de begin- en eindtijden.

5 Het standpunt van de pleegouders

5.1.

De pleegouders hadden tijd nodig om de beschikking van het gerechtshof te laten bezinken. Zij begrijpen dat de moeder blij is met deze beslissing en vinden het fijn dat er voor [minderjarige 1] de mogelijkheid is om naar huis te gaan. Ze zullen doen waar ze zich naar moeten voegen en zullen [minderjarige 1] in het proces naar thuisplaatsing en uitbreiding van de omgang zo goed mogelijk begeleiden. Voor de pleegouders heeft het ook een andere kant. Zij zijn de afgelopen 2,5 jaar erg veel van [minderjarige 1] gaan houden en het gezin zal begeleid moeten worden in het onthechten van [minderjarige 1] . De pleegouders zouden graag met elkaar willen afstemmen waar ze op moeten letten om te monitoren of het goed met [minderjarige 1] gaat. Het is een grote stap voor hem. Ze willen dat het belang van [minderjarige 1] voorop staat. Het contact met de moeder verloopt positief.

6 De beoordeling

6.1.

De kinderrechter kan de huidige regeling de zorg- en opvoedingstaken wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

6.2.

De beschikking van het gerechtshof maakt dat de kinderrechter de bestaande regeling zal wijzigen en zo veel mogelijk zal aansluiten bij de beschikking van het gerechtshof. Het gerechtshof heeft in niet mis te verstane woorden bepaald wat er dient te gebeuren ten aanzien van [minderjarige 1] . De beschikking van het gerechtshof is van recente datum en het is de kinderrechter niet gebleken dat er daarna ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die maken dat het anders zou moeten dan het gerechtshof heeft bepaald.

6.3.

In verband daarmee zal de kinderrechter bepalen dat de GI zo spoedig mogelijk de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige 1] verder moet uitbreiden in duur en frequentie. In de tussentijd kunnen de persoonlijke behandeling van de moeder en de ouder-kindbehandeling vanuit de Jeugd-GGZ doorgang vinden. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat dit goed loopt en zij er wat aan heeft.

6.4.

Het verloop van deze behandeling mag, zoals het gerechtshof heeft bepaald, er niet toe leiden dat er door de GI niet actief wordt gewerkt aan de thuisplaatsing van [minderjarige 1] per 25 februari 2027. Het zelfstandig verzoek van de moeder ten aanzien van de opbouw van omgang, sluit naar het oordeel van de kinderrechter grotendeels aan bij de aanwijzingen die het gerechtshof heeft gegeven. De kinderrechter zal de bestaande zorgregeling daarom wijzigen conform dit verzoek van de moeder, met dien verstande dat de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] vindt dat de GI wel de regie krijgt over de (opbouw van de) verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Dit geldt echter alleen ten aanzien van de begin- en eindtijden voor de omgang. Deze dienen in overleg met de GI te worden afgestemd op wat het meest in het belang van [minderjarige 1] is. Het aantal uren omgang met de moeder mag niet worden verminderd. Mochten zich wat voor ontwikkelingen dan ook voordoen, dan weten de betrokkenen de kinderrechter te vinden.

6.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

wijzigt de zorgregeling en bepaalt deze als volgt:

Maand juli 2026

Twee keer per week van 9:15 -13:15 uur, bij de moeder thuis onder begeleiding dan wel semi begeleiding.

Maand augustus 2026

Twee keer per week van 9:15 -16:30 uur, bij de moeder onder begeleiding dan wel semi begeleiding.

Maand september/oktober 2026

Drie keer per week, waarvan twee keer van 9:15 -16:30 uur en één keer van 9:15 uur tot en met de volgende dag 12:00 uur (met 1 overnachting), onder begeleiding dan wel semi begeleiding.

Maand november/december 2026

Drie keer per week, waarvan twee keer van 9:15 -16:30 uur en één keer van vrijdag 9:15 uur tot en met de zondag 9:15 uur (met 2 overnachtingen), onder begeleiding dan wel semi begeleiding.

Maand januari tot 25 februari 2027

Drie keer per week, waarvan twee keer van 9:15 uur tot de volgende dag 9:15 uur (met 1 overnachting) en één keer van vrijdag 9:15 uur tot en met de zondag 12:00 uur (met 2 overnachtingen).

Vanaf 25 februari 2027

Volledig bij de moeder;

en bepaalt daarbij dat de regie over deze regeling bij de GI ligt, in die zin dat van de begin- en eindtijden kan worden afgeweken; deze dienen in overleg met de GI te worden vastgesteld;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A.H. Wiersma als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265g lid 2 BW