Civiel recht overig

De rechtbank veroordeelt gedaagde om een bedrag aan de eiser te betalen. Eiser had een factuur betaald aan…

Rechtbank Overijssel, 7 november 2023

Zaakgegevens

Op 7 november 2023 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
7 november 2023
Datum publicatie
16 november 2023
Zaaknummer
10645856 \ CV EXPL 23-3080
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2023:4612
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt gedaagde om een bedrag aan de eiser te betalen.

Eiser had een factuur betaald aan gedaagde, maar gedaagde had die factuur onterecht verstuurd. Eiser vordert terugbetaling van het bedrag.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 10645856 \ CV EXPL 23-3080

Vonnis van 7 november 2023

in de zaak van

[eiser] B.V.,

te [vestigingsplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: J. Alkema,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

vertegenwoordigd door P. Souman, bestuurder.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Korte samenvatting van de zaak

[eiser] heeft een factuur betaald van [gedaagde], maar deze factuur heeft [gedaagde] onterecht verstuurd. Daarom moet [gedaagde] dit bedrag terugbetalen.

3 De feiten

3.1.

Op 24 januari 2023 hebben [eiser] en [gedaagde] B.V. een franchiseovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst).

3.2.

[gedaagde] heeft op 30 november 2022 een factuur verstuurd aan [eiser] ter hoogte van € 6.655,00 met als omschrijving:

“Entreefee Franchise [gedaagde] [eiser] BV Locatie: [plaats] onder voorwaarden van getekende overeenkomst”.

3.3.

Dit bedrag is door [eiser] overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer], zoals op voornoemde factuur vermeld.

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.503,05, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 6.655,00, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] het gefactureerde bedrag moet terugbetalen, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.

4.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], omdat [eiser] de verkeerde B.V. heeft gedagvaard.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

[gedaagde] heeft niet betwist dat zij het bedrag van € 6.655,00 heeft ontvangen van [eiser].

5.2.

[gedaagde] heeft een factuur verzonden onder uitdrukkelijke verwijzing naar de overeenkomst en de aan [gedaagde] B.V. verschuldigde “entry fee” heeft geïnd, terwijl zij deze overeenkomst niet zelf heeft gesloten en daarom geen aanspraak kon maken op dit bedrag. [eiser] stelt dat zij de geldsom daarom zonder rechtsgrond aan [gedaagde] heeft betaald. Dat is door [gedaagde] in dupliek niet weersproken, zodat dit vast komt te staan.

5.3.

Op grond van artikel 6:203 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek heeft [eiser] daarom recht op teruggave van een gelijk bedrag. De vordering zal daarom worden toegewezen.

5.4.

De gevorderde wettelijke handelsrente zal, als onweersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

5.5.

[eiser] B.V. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald. Daarom wordt € 707,75 toegewezen.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:

- hoofdsom
- wettelijke handelsrente tot 24 juli 2023

€
€

6.655,00
140,30

- buitengerechtelijke incassokosten

€

707,75

+

totaal

€

7.503,05

5.7.

[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

109,44

- griffierecht

€

514,00

- salaris gemachtigde

€

660,00

(2,00 punten × € 330,00)

- nakosten

€

132,00

Totaal

€

1.415,44?

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.503,05, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 6.655,00, met ingang van 24 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] B.V. tot dit vonnis vastgesteld op € 1.415,44,

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2023.