Civiel recht overig

Afwijzing verzoek moratorium. Verzwegen voor rechtbank dat er zes dagen voor indiening verzoek moratorium…

Rechtbank Overijssel, 3 februari 2025

Zaakgegevens

Op 3 februari 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
3 februari 2025
Datum publicatie
19 mei 2025
Zaaknummer
326040 FT RK 24.813
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2025:3128
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek moratorium. Verzwegen voor rechtbank dat er zes dagen voor indiening verzoek moratorium, door kortgedingrechter in executiegeschil was geoordeeld dat ontruimingsvonnis ten uitvoer mocht worden gelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 326040 FT RK 24.813
Datum vonnis: 3 februari 2025

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker,

verder ook te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: JAW Advocaten te Den Haag,

tegen

  1. [verweerder 1],

  2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats 2],

verder ook te noemen: verweerders,

gemachtigde: Smit & Legebeke Gerechtsdeurwaarders te Ommen,

verder ook te noemen: de deurwaarder.

Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van Licht Twee B.V. te Kampen tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering) en heeft tevens verzocht om verweerders (gedurende zes maanden) te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, Team Kanton en Handelsrecht, zittingsplaats Zwolle,

d.d. 29 oktober 2024, tot ontruiming van de woning van [verzoeker] aan de [adres] (verzoek ex artikel 287b Faillissementswet). Het verzoek ex artikel 287b Faillissementswet (verzoek moratorium) en het verzoek schuldsanering zijn op 17 december 2024 bij de rechtbank ingediend.

Bij vonnis van 18 december 2024 is het verweerders, zonder partijen te horen, verboden tot en met 5 februari 2025 de woning aan de [adres] te ontruimen. De inhoudelijke behandeling van het verzoek moratorium is gepland op de zitting van 27 januari 2025. Ter zitting van 27 januari 2025 is [verzoeker], vergezeld door mr. D.A. IJpelaar van JAW Advocaten en mevrouw [beschermingsbewindvoerder] (beschermingsbewindvoerder) verschenen. Ook de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2], vergezeld door mr. T. van Wijngaarden (deurwaarder) zijn verschenen. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

In het verzoekschrift moratorium is verzocht de op 29 november 2024 door de deurwaarder aangezegde ontruiming (op basis van het vonnis van 29 oktober 2024) op 19 december 2024 gedurende zes maanden te verbieden. Bij het verzoekschrift is het vonnis van 29 oktober 2024 en de aanzegging van de ontruiming gevoegd. Voor het overige zijn er geen vonnissen die verband houden met de huurovereenkomst en de (eventuele) ontruiming van de woning bijgevoegd.

Uit het verweerschrift van 15 januari 2025 van mr. Van Wijngaarden is de rechtbank gebleken dat die vonnissen er wel zijn. Er blijkt onder andere een vonnis van

11 december 2024 van de kantonrechter in kort geding (verder te noemen: kortgedingrechter) te bestaan. Uit dit vonnis blijkt dat de beschermingsbewindvoerder verweerders heeft gedagvaard. De beschermingsbewindvoerder heeft primair gevorderd verweerders te verbieden het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 29 oktober 2024 ten uitvoer te leggen en subsidiair verweerders te veroordelen de tenuitvoerlegging van dat vonnis op te schorten voor een periode tot dat de aanmelding bij de Gemeentelijke Kredietbank is afgerond, doch in elk geval voor de periode van zes maanden na betekening van het vonnis van de kortgedingrechter. Op 4 december 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

De kortgedingrechter heeft op 11 december 2024 zowel de primaire als de subsidiaire vordering afgewezen. De kortgedingrechter is van oordeel dat het belang van verweerders om tot ontruiming over te gaan zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] om in de woning te blijven wonen. Verweerders hebben zich volgens de kortgedingrechter, ondanks herhaalde wanbetaling, altijd coulant opgesteld inzake het treffen van betalingsregelingen en hebben [verzoeker] een goedkoper appartement aangeboden inclusief een transitievergoeding (welk aanbod [verzoeker] niet heeft aangenomen). De kortgedingrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De maandelijkse huurtermijn van de woning aan de [adres] bedraagt

€ 1.252,52. Recent is een PW-uitkering en een woonkostentoeslag van € 898,34 per maand aan [verzoeker] toegekend. De woonkostentoeslag is toegekend voor de periode van

12 september 2024 tot en met 12 maart 2025.

De behandeling ter zitting

Volgens mr. IJpelaar is het niet de bedoeling geweest de rechtbank in de procedure betreffende het verzoek moratorium, het vonnis van de kortgedingrechter van

11 december 2024 te onthouden. Volgens mr. IJpelaar is de afweging van de kantonrechter ook een (enigszins) andere dan de afweging die de rechtbank op grond van de Faillissementswet moet maken.

Mr. Van Wijngaarden heeft erop gewezen dat er reeds lange tijd sprake is van wanbetaling door [verzoeker] en dat het belang van verweerders bij de ontruiming volgens de kortgedingrechter zwaarder moet wegen dan het belang van [verzoeker]. Mr. Van Wijngaarden heeft er ook op gewezen dat het inkomen van [verzoeker] niet in verhouding staat tot de hoogte van de huur en dat de woonkostentoeslag slechts voor een korte periode is toegekend.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat zij door de indiening van een onvolledig verzoek moratorium op 17 december 2024 onder valse voorwendselen is bewogen een moratorium af te geven.

De rechtbank is van oordeel dat als zij op de hoogte was geweest van het vonnis van

11 december 2024 het moratorium niet van toepassing was verklaard. Er was immers reeds gekozen voor een andere rechtsingang, bij de kantonrechter in kort geding, waarbij een gelijke vordering met dezelfde strekking was ingediend, welke vordering was afgewezen.

Hoewel de belangenafweging in een executie-kortgeding over een woningontruiming niet volledig dezelfde is als in een moratoriumprocedure is de rechtbank van oordeel dat een moratorium, in ieder geval in de situatie van [verzoeker] en mede gelet op de motivering van dat vonnis, het vonnis van de kortgedingrechter in het executiegeschil niet opzij kan zetten.

Het bewust niet volledig informeren van de rechtbank – het kan immers [verzoeker], zijn beschermingsbewindvoerder en zijn advocaat, allen betrokken bij de kort gedingprocedure, niet zijn ontgaan dat die procedure was gevoerd en tot een vonnis had geleid – behoort maar één consequentie te hebben: afwijzing van het verzoek.

De verklaring van mr. IJpelaar dat de rechtbank niet bewust onvolledig is geïnformeerd in de moratoriumprocedure, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat nadat de uitkomst van het executiegeschil bij de kortgedingrechter voor [verzoeker] (op 11 december 2024) negatief is uitgevallen, nog snel (op 17 december 2024) via de weg van de Faillissementswet is geprobeerd de aangezegde ontruiming tegen te gaan, met verzwijging van het vonnis in kort geding.

Op grond van vorenstaande zal de rechtbank het verzoek moratorium (oftewel de verlenging vanaf 5 februari 2025 tot en met 18 juni 2025) afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek ex artikel 287b Faillissementswet af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.