Civiel recht overig

In de tussenvonnis heeft eiser, onder verwijzing naar een door hem overgelegde “Leenovereenkomst”, gesteld…

Rechtbank Overijssel, 23 december 2025

Zaakgegevens

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
23 december 2025
Datum publicatie
24 december 2025
Zaaknummer
11424615 \ CV EXPL 24-2352
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2025:7570
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

In de tussenvonnis heeft eiser, onder verwijzing naar een door hem overgelegde “Leenovereenkomst”, gesteld dat gedaagde geld van hem heeft geleend. Volgens gedaagde heeft hij geen geld geleend van eiser en is de handtekening onder voormelde overeenkomst niet van hem. De kantonrechter stelt eiser in de gelegenheid bewijs te leveren van zijn stelling dat de betwiste handtekening echt (als in: door gedaagde gezet) is

Procesgang

  1. Rechtbank Overijssel · 1 juli 2025

    ECLI:NL:RBOVE:2025:4308
  2. Rechtbank Overijssel · 23 december 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:RBOVE:2025:7570

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 11424615 \ CV EXPL 24-2352

Vonnis van 23 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],

eisende partij, hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: L. Veld, werkzaam bij Deurwaarderskantoor Wigger Van het Laar te Almelo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2], gemeente [gemeente 2],

gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. V.A. Batelaan, advocaat te Harderwijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juli 2025 waarbij een deskundigenonderzoek is bevolen;

- het deskundigenrapport van 23 oktober 2025 van ing. [deskundige 1] en [deskundige 2], werkzaam bij Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau te Enschede;

- de conclusie na deskundigenbericht van 25 november 2025 van [eiser];

- de conclusie na deskundigenbericht van 25 november 2025 van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De (verdere) beoordeling

2.1.

Zoals in voormeld tussenvonnis is vermeld, heeft [eiser], onder verwijzing naar een door hem overgelegde “Leenovereenkomst”, gesteld dat [gedaagde] geld van hem heeft geleend. Volgens [gedaagde] heeft hij geen geld geleend van [eiser] en is de handtekening onder voormelde overeenkomst niet van hem.

2.2.

De “Leenovereenkomst” is een onderhandse akte. Dit betekent dat op degene die zich van de akte als bewijsmiddel wil bedienen, [eiser] dus, de bewijslast rust en daarmee het bewijsrisico van de echtheid van de betwiste handtekening (artikel 159 lid 2 Rv).

Het deskundigenonderzoek

2.3.

Partijen zijn door de deskundige in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept deskundigenbericht en hebben dat beiden gedaan. De deskundige heeft vervolgens een definitief deskundigenrapport uitgebracht. In dit rapport zijn in hoofdstuk 12 de reacties van partijen opgenomen en wordt gereageerd op de opmerkingen van [eiser].

2.4.

In hoofdstuk 10 “Conclusies” van het deskundigenbericht staat opgenomen:

“De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de betwiste handtekening die is gezet voor de persoon [gedaagde] geen authentieke handtekening van hem betreft (hypothese H2) dan wanneer het wel om een authentieke handtekening zou gaan en niet om een nabootsing of vervalsing (H1).”

2.5.

[gedaagde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht opgemerkt:

“[gedaagde] meent dat zijn standpunt, inhoudende dat de handtekening onder de

geldleenovereenkomst niet van hem is, door het deskundigenonderzoek wordt bevestigd. Immers, volgens de deskundige is het veel waarschijnlijker dat de handtekening niet is gezet door [gedaagde] dan dat de handtekening wel is gezet door [gedaagde].”

2.6.

[eiser] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht opgemerkt dat hij het oordeel van de deskundige onbegrijpelijk vindt. Hij houdt vol dat de handtekening door [gedaagde] is gezet en dat hij en zijn zoon daarbij aanwezig waren. Hij wil dan ook dat zijn zoon als getuige wordt gehoord.

2.7.

Artikel 166 lid 1 Rv neemt als uitgangspunt dat de rechter op verzoek van een partij een getuigenverhoor moet bevelen. Gelet daarop zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld door middel van getuigen bewijs te leveren van zijn stelling dat de handtekening door [gedaagde] is gezet.

2.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

stelt [eiser] in de gelegenheid bewijs te leveren van zijn stelling dat de betwiste handtekening echt (als in: door [gedaagde] gezet) is, door het laten horen van getuigen,

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 6 januari 2026 voor uitlating door [eiser] wie hij als getuigen wil doen horen,

3.3.

bepaalt dat [eiser] de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari tot en met mei 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.4.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. E. Horsthuis, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5,

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.