Civiel recht overig

Tussen eiseres en gedaagde is een huurovereenkomst gesloten voor een woonruimte. Eisers vorderen gedaagde te…

Rechtbank Overijssel, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Enschede
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
7 april 2026
Zaaknummer
12106529 \ CV EXPL 26-328
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:1783
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussen eiseres en gedaagde is een huurovereenkomst gesloten voor een woonruimte. Eisers vorderen gedaagde te veroordelen tot betaling van de achterstallige huur. Uit niets blijkt dat eiser contractspartij is. De kantonrechter zal daarom de vorderingen van eiser afwijzen. Doordat gedaagde de huurachterstand erkent, zal de kantonrechter de vordering van eiseres toewijzen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 12106529 \ CV EXPL 26-328

Vonnis van 31 maart 2026

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen: [eiser]
2. [eiseres],

wonende te [woonplaats 2],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. L.M. Scherphof,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 3],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 9 mei 2024 is tussen [eiseres] en [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten voor de woonruimte staande en gelegen aan de [adres] tegen een huurprijs van € 835,00 en m.i.v. 1 september 2025 € 876,75 per maand. De huurovereenkomst is per

30 november 2025 beëindigd.

2.2.

Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de maandelijkse huurbedragen.

3. Het geschil

De vordering

3.1.

[eiseres] en [eiser] vorderen – kort gezegd – [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huur, alsmede betaling van een contractuele verzuimboete, buitengerechtelijke kosten en rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] en [eiser] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] de verplichting om de huurbedragen over de maanden augustus, september en november 2025 te betalen niet is nagekomen. Er is sprake van een huurachterstand van € 2.588,50. Daarnaast is [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst een verzuimboete van € 35,00 per dag verschuldigd met een maximum van € 7.000,00. Uit hoofde hiervan wordt het maximale bedrag van € 7.000,00 gevorderd. Als gevolg van deze tekortkomingen hebben [eiseres] en [eiser] zich genoodzaakt gezien hun vordering ter incasso uit handen te geven aan hun gemachtigde. De kosten daarvoor bedragen € 383,85 en komen voor rekening van [gedaagde].

Het verweer

3.3.

[gedaagde] erkent de huurachterstand van drie maanden en wil deze ook betalen, het liefst in termijnen. Met de gevorderde verzuimboete van € 7.000,00 is [gedaagde] het echter niet eens, deze acht hij ontzettend hoog. Hij refereert zich op dit punt aan het oordeel van de kantonrechter. Tevens merkt [gedaagde] op dat hij alleen een huurovereenkomst heeft gehad met [eiseres] en niet met [eiser].

4 De beoordeling

4.1.

Uit de huurovereenkomst blijkt dat deze is gesloten tussen mevrouw [eiseres] en de heer [gedaagde]. Uit niets blijkt dat [eiser] contractspartij is. De kantonrechter zal daarom de vorderingen van [eiser] afwijzen.

4.2.

Nu [gedaagde] de verschuldigdheid van de huurachterstand van € 2.588,50 erkent, staat deze achterstand vast en zal deze worden toegewezen.

4.3.

[gedaagde] heeft aangegeven het niet eens te zijn met de contractuele verzuimboete, hij vindt deze ontzettend hoog en laat de beoordeling daarvan over aan de kantonrechter.

4.4.

Op basis van artikel 11.1 sub b van de huurovereenkomst vordert [eiseres] een boete van € 35,00 per kalenderdag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 7.000,00 indien door [gedaagde] niet wordt voldaan aan de tijdige betaling van de huurpenningen.

4.5.

In artikel 11.1 sub b van de huurovereenkomst staat:

“een boete van € 35,- voor iedere kalenderdag dat de overtreding voortduurt, bij overtreding van artikel 4.1 en 4.2 (veranderingen en toevoegingen), 8 (antennes), 10 (zonwering), 14.2 en 14.3 sub b (reclame, ventilatie- en rookkanalen) van de algemene bepalingen, (…)”

4.6.

Artikel 11.1 sub b van de huurovereenkomst ziet niet op het te laat betalen van de huurbedragen maar op andere overtredingen die zijn opgenomen in de algemene bepalingen.

De door [eiseres] in de dagvaarding genoemde grondslag voor de gevorderde verzuimboete ontbreekt en daarom zal de gevorderde verzuimboete worden afgewezen.

4.7.

De kantonrechter heeft nog beoordeeld of [eiseres] bedoeld zou kunnen hebben artikel 11.2 van de huurovereenkomst aan de gevorderde boete ten grondslag te leggen, maar dat is, gelet op de hoogte van het per kalenderdag gevorderde bedrag en het gevorderde maximumbedrag, niet het geval.

4.8.

[eiseres] vordert voor de huurachterstand een bedrag van € 383,85 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.9.

Nu de vorderingen van [eiser] en een aanzienlijk deel van de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.972,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.588,50, vanaf de respectieve vervaldata van de huurbedragen, tot de dag van volledige betaling;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. (PHR)

Onder ‘in het kort’ in de dagvaarding staat weliswaar vermeld dat een totaalbedrag van € 7.588,50 wordt gevorderd aan huurpenningen en verzuimboete, maar nu uit het petitum blijkt dat een bedrag van € 7.000,00 aan verzuimboete wordt gevorderd en € 2.558,50 aan huurpenningen, neemt de kantonrechter aan dat dit een verschrijving is. Dit betekent dat hij de beoordeling overlaat aan de kantonrechter.