Civiel recht overig
Intercash vordert betaling van een factuur door gedaagde. Gedaagde heeft niet binnen de voorschreven termijn…
Rechtbank Overijssel, 20 januari 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:277 · Rechtbank Overijssel · 20 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-277
Zaakgegevens
Op 20 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 20 januari 2026
- Datum publicatie
- 22 januari 2026
- Zaaknummer
- 11920674 \ CV EXPL 25-3163
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:277
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Intercash vordert betaling van een factuur door gedaagde. Gedaagde heeft niet binnen de voorschreven termijn een conclusie van antwoord genomen. De kantonrechter verleent tegen gedaagde verstek en wijst de vordering van Intercash grotendeels toe.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11920674 \ CV EXPL 25-3163
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma INTERCASH,
gevestigd in Kampen,
eisende partij,
hierna te noemen: Intercash,
gemachtigde: mr. J. Tukker,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1 Waar deze zaak over gaat
Intercash vordert betaling van een factuur door [gedaagde]. [gedaagde] heeft niet binnen de voorschreven termijn een conclusie van antwoord genomen. De kantonrechter verleent tegen [gedaagde] verstek en wijst de vordering van Intercash grotendeels toe.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 9 oktober 2025,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek,
- de conclusie van antwoord die is ingediend buiten de termijn.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De beoordeling
Te laat genomen proceshandeling
[gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht hem uitstel te verlenen voor het nemen van een conclusie van antwoord. De kantonrechter heeft [gedaagde] uitstel verleend tot
16 december 2025. De griffie van de rechtbank heeft de conclusie van antwoord op
17 december 2025 ontvangen.
Intercash heeft bezwaar gemaakt tegen inname van de conclusie van antwoord, omdat [gedaagde] de conclusie van antwoord niet tijdig heeft ingediend en hierdoor het recht op het nemen van deze proceshandeling door [gedaagde] is vervallen.
De kantonrechter heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bewijs te overleggen dat hij de conclusie van antwoord, zoals door hem gesteld, op 15 december 2025 aan de rechtbank heeft toegestuurd. [gedaagde] heeft geen bewijs overlegd. Ook is de kantonrechter niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat [gedaagde] de termijn heeft overschreden. De kantonrechter zal de conclusie van antwoord hierom buiten beschouwing laten. Dat betekent dat [gedaagde] niet is verschenen in deze procedure.
Inhoudelijke beoordeling na verstek
Intercash heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal dus worden toegewezen, met uitzondering van hetgeen hierna is bepaald.
De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente over de periode vanaf 26 maart 2025 tot en met 26 september 2025 toewijzen voor zover op de wet gegrond. De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 49,48 toewijzen.
De vordering van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Intercash heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Intercash heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 137,90 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen zoals gevorderd.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intercash worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
123,73 |
|
|
- griffierecht |
€ |
340,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
135,00 |
(1 punt × € 135,00) |
|
- nakosten |
€ |
67,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
666,23 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Intercash te betalen een bedrag van € 919,36, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 26 maart 2025 tot en met 26 september 2025 van € 49,48, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 27 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Intercash te betalen een bedrag van € 137,90 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de buitengerechtelijke kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 666,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026. (hg)