Civiel recht overig
Onbetaalde rekening wegens rijden zonder treinkaartje.
Rechtbank Overijssel, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:3631 · Rechtbank Overijssel · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-3631
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 27 juni 2026
- Zaaknummer
- 12134060 \ CV EXPL 26-334
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:3631
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onbetaalde rekening wegens rijden zonder treinkaartje.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12134060 \ CV EXPL 26-334
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
NS REIZIGERS B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: NS,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde 1] ,
in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind,
[gedaagde 2] (hierna te noemen: [gedaagde 2] ),
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 februari 2026;
- de brief van 14 maart 2026, die is aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek van 14 april 2026.
[gedaagde 1] heeft hierna, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet (tijdig) gereageerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Het geschil
Wat wil NS?
Volgens NS was [gedaagde 2] tijdens een treinrit van Almelo naar Enschede niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs. Daarom voldeed [gedaagde 2] niet aan de verplichtingen in het Besluit Personenvervoer 2000 en overtrad [gedaagde 2] de Wet op Personenvervoer 2000. [gedaagde 2] is daarom volgens NS de ritprijs van € 5,80, de wettelijke verhoging van € 50,00 en de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] hebben niet betaald, daarom is NS deze procedure gestart en moet [gedaagde 1] volgens NS ook de proceskosten betalen. [gedaagde 1] is in haar hoedanigheid van ouder/wettelijke vertegenwoordiger van [gedaagde 2] door NS gedagvaard.
Wat vindt [gedaagde 1] ?
[gedaagde 1] voert verweer tegen de bijkomende kosten. Volgens [gedaagde 1] is [gedaagde 2] sinds augustus 2023 uit huis geplaatst en zijn er verschillende overplaatsingen geweest. [gedaagde 1] heeft niet de regie over het doorgeven van deze verhuizingen, aldus [gedaagde 1] . Volgens [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] brieven, die door NS zijn verstuurd, niet ontvangen. Pas op 13 november 2025 heeft [gedaagde 2] (alle) post op haar juiste adres ontvangen.
3 De beoordeling
Ritprijs en wettelijke verhoging
Vaststaat dat [gedaagde 2] op 5 februari 2025 zonder geldig vervoersbewijs met de trein van station Almelo naar station Enschede is gereisd. [gedaagde 2] voldeed daarmee niet aan de verplichtingen in het Besluit Personenvervoer 2000 en overtrad zij de Wet op Personenvervoer 2000. Op grond van artikel 48 lid 2 van het Besluit Personenvervoer 2000 is [gedaagde 2] , naast de ritprijs van € 5,80, de wettelijke verhoging van € 50,00 verschuldigd. [gedaagde 1] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de ritprijs en de wettelijke verhoging.
Administratiekosten
NS heeft gesteld (maar niet onderbouwd) dat zij op 6 februari 2025 een aanmaning heeft gestuurd waarbij zij [gedaagde 2] 14 dagen heeft gegeven om de ritprijs en de wettelijke verhoging te betalen. Omdat [gedaagde 2] hierop niet tijdig heeft gereageerd heeft NS (op grond van artikel 48 lid 6 Besluit personenvervoer 2000) gesteld dat zij [gedaagde 1] op 14 maart 2025 nogmaals in de gelegenheid heeft gesteld genoemde bedragen te betalen, verhoogd met de administratiekosten van € 15,00. Echter heeft NS haar stellingen niet onderbouwd door het overleggen van afschriften van deze twee brieven, zodat de kantonrechter niet kan beoordelen of zij aan de wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter zal daarom de gevorderde administratiekosten van € 15,00 als niet of onvoldoende onderbouwd afwijzen.
Wettelijke rente
[gedaagde 1] is te laat met het betalen van de ritprijs en de wettelijke verhoging van in totaal € 55,80. [gedaagde 1] is daarom de wettelijke rente hierover verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum dagvaarding, 18 februari 2026, tot de dag van volledige betaling.
Betalingen
Bij haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde 1] nog naar voren gebracht dat [gedaagde 2] verschillende betalingen heeft gedaan aan NS. NS heeft in haar conclusie van repliek hierover naar voren gebracht dat het klopt dat NS deze (vier) betalingen heeft ontvangen. Volgens NS is er sprake geweest van meerdere vorderingen voor het rijden zonder geldig vervoersbewijs door [gedaagde 2] . De betalingen zijn volgens NS afgeboekt op deze vorderingen en zij geeft in haar conclusie van repliek daarvan een onderbouwing. Volgens NS is de vordering waar het hierover gaat, onbetaald gebleven.
[gedaagde 1] heeft niet (tijdig) gereageerd op de conclusie van repliek. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat het verhaal van NS over de gedane betalingen klopt en dat de vordering waar het in deze procedure over gaat nog niet is betaald.
Proceskosten
NS heeft door het overleggen van aanmaningen van haar gemachtigde (producties 2 en 4 bij conclusie van repliek) voldoende aangetoond dat zij [gedaagde 1] , voordat zij tot dagvaarden is overgegaan, heeft aangeschreven op het adres waar [gedaagde 2] als wonende stond ingeschreven. Dat [gedaagde 2] niet op het juiste adres stond ingeschreven, kan niet aan NS worden tegengeworpen. Eveneens staat vast dat er (ook) wel aanmaningen door [gedaagde 2] zijn ontvangen, zodat van rauwelijks dagvaarden geen sprake is.
[gedaagde 1] krijgt (grotendeels) ongelijk en zij moet daarom de kosten van deze procedure betalen. De kantonrechter constateert dat NS een summiere (standaard-) dagvaarding met beperkte onderbouwing van haar vordering aan [gedaagde 1] heeft uitgebracht en bij de kantonrechter heeft ingediend. Pas bij repliek heeft NS dit (gedeeltelijk) aangevuld. De kantonrechter zal hiervoor één punt salaris toe te wijzen.
De kosten aan de zijde van NS worden begroot op:
- dagvaarding € 127,08
- griffierecht € 139,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50
Totaal € 330,58.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] om aan NS te betalen een bedrag van € 55,80, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 330,58, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen de kosten van betekening, indien [gedaagde 1] niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026. (ak)