Civiel recht overig

De voorlopige ondertoezichtstelling wordt afgewezen, omdat de moeder de (spoed)hulp accepteert en er hierdoor…

Rechtbank Overijssel, 10 juli 2026

Zaakgegevens

Op 10 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
10 juli 2026
Datum publicatie
25 juli 2026
Zaaknummer
C/08/349408 / JE RK 26-1086
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. S.M. Wolff.
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:4558
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De voorlopige ondertoezichtstelling wordt afgewezen, omdat de moeder de (spoed)hulp accepteert en er hierdoor sprake is van voldoende zicht in de thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/08/349408 / JE RK 26-1086

Datum uitspraak: 10 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad,

gevestigd te Zwolle,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

bijgestaan door advocaat: mr. S.M. Wolff.

De kinderrechter merkt als informant aan:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het schriftelijke verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 3 juli 2026;

  • de aanvullende informatie van de psychiater, ingediend door de raad, ontvangen op 7 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, in aanwezigheid van een tolk en bijgestaan door haar advocaat die digitaal via MS-Teams was aangesloten;

- [naam 1] namens de Raad;

- [naam 2] namens de GI.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ter onderbouwing van het verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken.

3.2.

Ter aanvulling heeft de raad tijdens de zitting naar voren gebracht dat de gemeente, die al jaren bij de moeder betrokken is, zorgen heeft over de thuissituatie bij de moeder. Er zijn zorgen over de geestelijke gesteldheid van de moeder. De moeder kent een verleden van psychische ontregeling. De psychiater heeft geconstateerd dat daar nu geen sprake van is. De moeder laat de hulpverlening van [instelling 1] niet meer binnen. Hierdoor is er geen zicht meer op de thuissituatie en dat is wel nodig om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De moeder heeft een visiegeschil met [instelling 2] (het Orthopedisch Dagcentrum). [minderjarige] gaat daar sinds 2024 naartoe, maar de moeder laat [minderjarige] daar niet meer naartoe gaan. De raad vindt dat [minderjarige] weer naar [instelling 2] moet gaan. Dit is ook ter ontlasting van de moeder nodig. [minderjarige] heeft continu begeleiding nodig wat veel vraagt van de moeder. De raad begrijpt de wens van de moeder om [minderjarige] aan te melden bij het speciaal onderwijs, maar er is een gedwongen kader nodig om hiervoor een goed plan te maken.

4 De standpunten

4.1.

De moeder is het niet eens met het verzoek. Over de psychische gesteldheid van de moeder zijn geen zorgen, dat heeft de psychiater ook verklaard. De moeder is bereid om medewerking te verlenen aan de hulpverlening in het vrijwillig kader. Er is sprake van een visiegeschil tussen de moeder en [instelling 2] en de moeder en [instelling 1] . Een visiegeschil kan echter geen reden zijn voor een voorlopige ondertoezichtstelling. Bij [instelling 2] krijgt [minderjarige] niet de juiste ondersteuning en het onderwijs dat hij nodig heeft. Hij leert daar niets en komt niet tot ontwikkeling. De moeder houdt [minderjarige] nu thuis, omdat het vakantie is en alle andere kinderen nu ook vakantie hebben. [minderjarige] is vrijgesteld van onderwijs, maar de moeder wil dat [minderjarige] wel naar school gaat. De moeder heeft drie verschillende speciaal onderwijsinstanties benaderd en zij gaat na de zomervakantie met deze scholen in gesprek. Volgens de moeder heeft [instelling 1] onwaarheden geschreven in rapporten en daarom wil zij niet meer verder met [instelling 1] . Zij is wel bereid om hulp te accepteren van een andere organisatie. De moeder accepteert nu ook de ingezette spoedhulp.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] wordt bedreigd. De kinderrechter is echter ook van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling momenteel niet aangewezen is. De kinderrechter legt dit uit.

5.2.

De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] een jongen is met een intensieve ondersteuningsbehoefte. Bij [minderjarige] is sprake van een algehele ontwikkelingsachterstand. Zo heeft [minderjarige] bijvoorbeeld nog veel moeite met communiceren. [minderjarige] ging onder andere hiervoor naar Orthopedisch Dagcentrum [instelling 2] . Bij [instelling 2] wordt ondersteuning en begeleiding gegeven die gericht is op de huidige ontwikkelingsfase van het kind. Vanwege een visiegeschil laat de moeder [minderjarige] niet meer naar [instelling 2] gaan. Ook zijn er zorgen over de psychische gezondheid en de belastbaarheid van de moeder. Bij de moeder is sprake van een laag IQ. Ook spreekt de moeder de Nederlandse taal niet, waardoor er in het verleden sprake is geweest van miscommunicatie. De moeder kent een voorgeschiedenis waarbij er meerdere keren sprake is geweest van psychische ontregeling, waarbij zij tijdelijk de zorg voor [minderjarige] niet kon dragen. De moeder krijgt ter ondersteuning hiervoor via een depot medicatie. Bij de moeder kwamen meerdere ambulante hulpverleners over de vloer, vanuit bijvoorbeeld [instelling 1] en het FACT-Team. Gezien de voorgeschiedenis van de moeder is het van belang dat er zicht wordt gehouden op de thuissituatie en dat de moeder de hulpverlening in de thuissituatie toelaat. De moeder accepteert de hulpverlening vanuit [instelling 1] niet meer, omdat zij geen vertrouwen meer in hen heeft.

5.3.

Volgens de raad is er nu geen zicht meer op [minderjarige] en de thuissituatie bij de moeder, omdat [minderjarige] niet meer naar [instelling 2] gaat en omdat de moeder de hulpverlening van [instelling 1] niet meer in huis toelaat. Het is de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van onvoldoende zicht op de thuissituatie. Hoewel [minderjarige] nu niet naar [instelling 2] gaat en de moeder de hulp vanuit [instelling 1] niet toelaat heeft zij wel ingestemd met de spoedhulp en accepteert zij deze hulp. Hierdoor is er vanuit de spoedhulp zicht op de thuissituatie. De moeder heeft onderbouwd aangegeven waarom zij geen vertrouwen meer heeft in de samenwerking met [instelling 1] . Zij geeft tegelijkertijd aan dat zij bereid is om hulpverlening vanuit een andere organisatie te accepteren. Er zal nu met behulp van de gemeente gezocht moeten worden naar een goed alternatief. De moeder is op het gebied van haar geestelijke gezondheid stabiel. Psychiater dr. Westerlaken - Van Ginkel heeft in een telefoongesprek met de raad verklaard dat zij geen vermoeden heeft van ontregeling of van een psychose bij de moeder. Naar het oordeel van de kinderrechter is er sprake van voldoende zicht op de thuissituatie en accepteert de moeder de benodigde hulpverlening ook, wat betekent dat de hulp in het vrijwillig kader nog toereikend is.

5.4.

De kinderrechter wil de moeder nog het volgende meegeven. De kinderrechter begrijpt de stelling van de moeder dat zij [minderjarige] nu thuis houdt, omdat de leeftijdsgenoten van [minderjarige] nu vakantie hebben en [minderjarige] ook vakantie moet hebben. De kinderrechter begrijpt echter ook de stelling van de raad dat het voor de moeder goed is om [minderjarige] wel naar [instelling 2] te brengen, ook in deze vakantieperiode, zodat de moeder ontlast wordt van de intensieve zorg voor [minderjarige] . De kinderrechter wil de moeder dan ook in overweging meegeven om [minderjarige] bijvoorbeeld alsnog in ieder geval één of twee keer in de week naar [instelling 2] te brengen, zodat de moeder rust, tijd en ruimte voor zichzelf heeft. Daarnaast vindt de kinderrechter het goed dat de moeder vanuit zichzelf op zoek gaat naar speciaal onderwijs voor [minderjarige] . Na de zomervakantie gaat zij met verschillende scholen in gesprek. Voordat [minderjarige] dan mogelijk kan beginnen op één van de scholen zullen er vermoedelijk wel een aantal weken verstrijken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] wel weer vier dagen per week naar [instelling 2] gaat, of een vergelijkbare organisatie in samenspraak met de gemeente te bepalen, als de zomervakantie voorbij is. In deze regio (Noord) is dat op 17 augustus 2026. [minderjarige] moet dan naar [instelling 2] (of een vergelijkbare plek) blijven gaan tot hij kan starten op het speciale onderwijs. Volgens de kinderrechter is dit zowel in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] als in het belang van de moeder in verband met haar beperkte belastbaarheid.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. D.E. Schaap, kinderrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Remeijsen als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).