Civiel recht overig
Toewijzing van een vordering tot terugbetaling van een lening. Verwerping van het beroep van gedaagde op…
Rechtbank Overijssel, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4577 · Rechtbank Overijssel · 14 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-4577
Zaakgegevens
Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Datum publicatie
- 25 juli 2026
- Zaaknummer
- 12124693 \ RR FORM 26-13
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4577
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzing van een vordering tot terugbetaling van een lening. Verwerping van het beroep van gedaagde op verrekening.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12124693 \ RR FORM 26-13
Vonnis van 14 juli 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De zaak in het kort
[eiser] vordert terugbetaling van een door hem aan [gedaagde] uitgeleend bedrag. Volgens [gedaagde] heeft hij kosten ten behoeve van [eiser] gemaakt en heeft hij daarom een verrekenbare vordering op [eiser]. De regelrechter komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zich op verrekening kan beroepen. [gedaagde] moet dan ook het geleende bedrag van € 3.019,00 terugbetalen aan [eiser].
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het aanvraagformulier met bijlagen van [eiser],
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarbij [gedaagde] op zijn verzoek in de gelegenheid is gesteld om stukken met een toelichting in te dienen,
- de stukken met toelichting van [gedaagde] die op 9 juni 2026 op de griffie zijn ontvangen,
- de reactie van [eiser].
Ten slotte is op 30 juni 2026 aan partijen meegedeeld dat op 14 juli 2026 vonnis zal worden gewezen.
3 De feiten
In de periode van 26 mei 2025 tot en met 2 augustus 2025 heeft [eiser] in twaalf deelbetalingen in totaal een bedrag van € 3.019,00 overgemaakt aan [gedaagde].
Bij brief van 9 september 2025 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht het bedrag binnen veertien dagen terug te betalen. Daarbij heeft [eiser] aangezegd dat hij bij het uitblijven van betaling aanspraak zal maken op de wettelijke rente en kosten.
4 Het geschil
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 3.019,00, de wettelijke rente en proceskosten.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
[gedaagde] moet het geleende bedrag terugbetalen
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in twaalf deelbetalingen in totaal een bedrag van € 3.019,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt.
De regelrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo dat hij niet betwist dat het bedrag als geldlening aan hem is verstrekt, maar dat hij zich beroept op verrekening met kosten die hij ten behoeve van [eiser] zou hebben gemaakt. Daarbij is van belang dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat, hoewel hij later van gedachten is veranderd, hij in een telefoongesprek met [eiser] heeft toegezegd het geleende bedrag terug te betalen. Dit betekent dat vast staat dat [gedaagde] het geleende bedrag aan [eiser] moet terugbetalen, tenzij zijn beroep op verrekening slaagt.
[gedaagde] kan zich niet op verrekening beroepen
Ten aanzien van het beroep van [gedaagde] op verrekening overweegt de regelrechter als volgt.
Nu [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat hij kosten ten behoeve van [eiser] heeft gemaakt en dat hij deze kosten wil verrekenen met de geldlening, ligt het op zijn weg om dit verweer voldoende te onderbouwen. Dat betekent dat [gedaagde] inzichtelijk moet maken welke bedragen hij voor [eiser] zou hebben betaald en waarom deze kosten voor rekening van [eiser] zouden moeten komen. Dit is ook tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken.
Na de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gesteld dat hij in totaal € 3.673,82 aan kosten zou hebben uitgegeven voor [eiser]. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] facturen en betalingsafschriften overgelegd tot een bedrag van € 2.438,82. Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat hij ook nog contante uitgaven zou hebben gedaan voor [eiser].
De regelrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiermee zijn beroep op verrekening onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de toelichting van [gedaagde] en de overgelegde stukken blijkt niet dat de gestelde betalingen daadwerkelijk ten behoeve van [eiser] zijn gedaan. Ook heeft [gedaagde] niet gesteld op grond waarvan deze kosten voor rekening van [eiser] zouden moeten komen, bijvoorbeeld op basis van een afspraak tussen partijen. Daarom is niet komen vast te staan dat [gedaagde] een tegenvordering heeft op [eiser]. Het beroep op verrekening slaagt dan ook niet. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] krijgt geen nadere gelegenheid om stukken in te dienen
[gedaagde] heeft in zijn reactie na de mondelinge behandeling verzocht om nog aanvullende stukken te mogen indienen.
Dit verzoek wordt afgewezen. Daarvoor is allereerst van belang dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad om uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling stukken in te dienen. Daarnaast is [gedaagde] op de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken stukken met een toelichting in het geding te brengen ter onderbouwing van zijn beroep op verrekening. Daarbij heeft de regelrechter aangegeven dat daarna geen verder uitstel aan [gedaagde] zal worden verleend om nadere stukken in te dienen. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden ziet de regelrechter geen aanleiding om [gedaagde] opnieuw in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Dit zou in strijd zijn met de goede procesorde en tot onredelijke vertraging van de procedure leiden.
[gedaagde] moet ook de wettelijke rente betalen
[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd omdat [gedaagde] het geleende bedrag niet op tijd heeft terugbetaald.
Wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag van verzuim. [eiser] heeft gesteld dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat [gedaagde] het geleende bedrag uiterlijk 15 augustus 2025 moest terugbetalen. Dit is echter niet komen vast te staan. Uit het verweer van [gedaagde] volgt dat hij weliswaar heeft erkend dat hij heeft toegezegd de geldlening terug te betalen, maar niet dat er een uiterste terugbetalingstermijn is afgesproken. Daarom sluit de regelrechter aan bij de brief van 9 september 2025 waarin [eiser] [gedaagde] heeft verzocht om binnen veertien dagen het geleende bedrag terug te betalen. Nu betaling binnen deze termijn is uitgebleven, is [gedaagde] in verzuim geraakt vanaf 24 september 2025. Vanaf die datum is dan ook wettelijke rente verschuldigd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
Omdat [gedaagde] ongelijk heeft gekregen, wordt hij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op
€ 265,00 aan griffierecht en € 50,00 aan reis- en verletkosten.
Uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat vordert en daar geen bezwaar tegen is gemaakt. Dat betekent dat de nakoming van het vonnis meteen kan worden afgedwongen, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
6 De beslissing
De regelrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 3.019,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 24 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 315,00,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends, regelrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.