Civiel recht overig
Rechtbank Overijssel · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig
Rechtbank Overijssel, 29 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4888 · Rechtbank Overijssel · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-4888
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 9 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/08/348860 / HA ZA 26-212
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.H.F. Yspeert
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4888
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Handelsverstek.
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/348860 / HA ZA 26-212
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. P.H.F. Yspeert,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.075,00 worden toegewezen.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
131,73 |
|
|
- griffierecht |
€ |
3.083,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
836,00 |
(1 punt × € 836,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
|
|
Totaal |
€ |
4.239,73 |
3 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 15.000,00 met ingang van 1 januari 2026, en over € 15.000,00 met ingang van 1 mei 2026, tot aan de dag der algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.075,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.239,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. (jb) |