Civiel recht overig
Eiseres heeft werkzaamheden aan het dak van gedaagde verricht. Partijen hebben een geschil over de prijs…
Rechtbank Overijssel, 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5155 · Rechtbank Overijssel · 11 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-5155
Zaakgegevens
Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Enschede
- Datum uitspraak
- 11 augustus 2026
- Datum publicatie
- 22 augustus 2026
- Zaaknummer
- 12101953 \ CV EXPL 26-295
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5155
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eiseres heeft werkzaamheden aan het dak van gedaagde verricht. Partijen hebben een geschil over de prijs waartegen de werkzaamheden verricht zouden worden.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12101953 \ CV EXPL 26-295
Vonnis van 11 augustus 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiseres] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij, hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. A.H. Öksüz,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. D.W. Blokland.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding;
-
de conclusie van antwoord, en
-
de mondelinge behandeling van 15 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De zaak in het kort
[eiseres] heeft werkzaamheden aan het dak van [gedaagde] uitgevoerd en daarvoor een bedrag van € 9.498,50 in rekening gebracht. Volgens [gedaagde] hebben partijen afgesproken dat [eiseres] de werkzaamheden voor € 4.010,80 zou uitvoeren.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat partijen een bedrag van € 9.498,50 zijn overeengekomen voor de uit te voeren werkzaamheden. [gedaagde] moet daarom nog een bedrag van € 5.487,70 en enkele bijkomende kosten betalen.
3 De feiten
[gedaagde] is eigenaar van een woning in [woonplaats]. Op enig moment besloot [gedaagde] haar dak te vernieuwen en isoleren. Een derde heeft deze werkzaamheden ondeugdelijk uitgevoerd en [gedaagde] heeft hierdoor (lekkage)schade geleden.
[gedaagde] heeft [eiseres] verzocht om herstelwerkzaamheden aan haar woning uit te voeren. [eiseres] was bereid om deze werkzaamheden uit te voeren en heeft op 1 augustus 2024 een offerte uitgebracht van € 9.498,50. [eiseres] heeft de herstelwerkzaamheden vervolgens rond 3 september 2024 uitgevoerd.
Partijen spraken af dat [gedaagde] pas voor de werkzaamheden hoefde te betalen zodra de verzekeraar (een deel van de) schadevergoeding aan [gedaagde] uitkeerde.
[eiseres] heeft op 9 september 2024 een factuur van € 4.010,80 aan [gedaagde] gestuurd en op 31 augustus 2025 een factuur van € 9.498,50.
[gedaagde] heeft op 16 oktober 2025 € 4.010,80 aan [eiseres] betaald, kort nadat zij een voorschot op de schadevergoeding ontving.
4 Het geschil
De vordering
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 6.407,22, vermeerderd met de wettelijke rente over € 9.498,50 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiseres] legt daaraan ten grondslag dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten: hij zou het dak van [gedaagde] repareren tegen betaling van € 9.498,50. [eiseres] heeft het dak van [gedaagde] gerepareerd, maar [gedaagde] heeft slechts € 4.000,– betaald.
Het verweer
[gedaagde] erkent dat partijen een aannemingsovereenkomst hebben gesloten. Volgens [gedaagde] hebben partijen – in afwijking van de offerte – afgesproken dat [eiseres] de werkzaamheden voor € 4.010,80 zou uitvoeren. Dit blijkt wel uit de aangepaste factuur van 9 september 2024, die [gedaagde] heeft betaald.
5 De beoordeling
Er is een prijs van € 9.498,50 overeengekomen
De kantonrechter moet in deze zaak beoordelen welke prijsafspraak [eiseres] en [gedaagde] hebben gemaakt voor het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden door [eiseres].
De kantonrechter overweegt als volgt. Na ontvangst de offerte van 1 augustus 2024 is [gedaagde] akkoord gegaan dat [eiseres] de herstelwerkzaamheden zou uitvoeren. Voorshands is aannemelijk dat [gedaagde] dan ook akkoord ging met het bedrag van € 9.498,50 op de offerte en het is dan aan [gedaagde] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat zij niet akkoord is gegaan met de offerte en een andere prijsafspraak heeft gemaakt.
Volgens [gedaagde] blijkt uit de factuur van 9 september 2024 van € 4.010,80 dat partijen overeenstemming hebben bereikt voor een lager bedrag. Ook heeft [eiseres] de hoogte van dit bedrag in WhatsApp-berichten genoemd en daarmee is nogmaals bevestigd dat er een lager bedrag is afgesproken.
[eiseres] heeft op zijn beurt aangevoerd dat de factuur van 9 september 2024 slechts ziet op de gebruikte materiaalkosten; het volledig geoffreerde bedrag werd nog niet direct in rekening gebracht omdat [gedaagde] nog geen geld van de verzekeraar had ontvangen.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen een andere prijsafspraak hebben gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] en [gedaagde] na het versturen van de offerte contact hebben gehad over het verlagen van de offerte. Dat [eiseres] akkoord zou gaan met een verlaging van de aanneemsom met – afgerond - € 5.500,– is zonder verdere onderbouwing niet aannemelijk.
Dat strookt ook met de uitleg van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling dat de factuur van € 4.010,80 slechts betrekking heeft op de gebruikte materialen. Hoewel partijen afspraken dat [gedaagde] pas voor de werkzaamheden hoefde te betalen als de verzekeraar had uitgekeerd, heeft [eiseres] – naar eigen zeggen - de kosten voor materiaal alvast in rekening gebracht. Dat [eiseres] in WhatsApp-berichten van 3 mei 2025 spreekt over € 4.000,– sluit aan deze verklaring. [gedaagde] heeft deze uitleg niet althans niet voldoende betwist
Gelet op het vorenstaande moet [gedaagde] het resterende bedrag van € 5.487,70 (€ 9.498,50 - € 4.010,80) betalen, tenzij haar beroep op schuldeisersverzuim slaagt.
Er is geen sprake van schuldeisersverzuim
[gedaagde] stelt dat sprake is van schuldeisersverzuim. [eiseres] heeft namelijk– ondanks het verzoek van [gedaagde] – geweigerd om een inspectie en vervolgens noodzakelijke herstelwerkzaamheden uit te voeren naar aanleiding van ontstane lekkages. Ook heeft [eiseres] het werk niet volledig afgerond: hij heeft door hem verwijderd grind en de isolatie niet teruggeplaatst.
Volgens [eiseres] is hij uiteindelijk op het verzoek van [gedaagde] ingegaan; de lekkages bleken bij de buren weg te komen en [eiseres] had geen tijd meer om het grind terug te schuiven.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiseres] – ondanks zijn eerdere weigering – in mei 2025 toch voor een inspectie is langsgekomen en een lekkage bij de buren heeft vastgesteld. Als al sprake was van een verzuim is dat derhalve geheeld en de kantonrechter moet dus slechts beoordelen of [eiseres] voor het niet terugschuiven van grind en isolatie in schuldeisersverzuim verkeert.
Niet gebleken dat [gedaagde] na de inspectie in mei 2025 aan [eiseres] heeft verzocht om het grind terug te schuiven en de isolatie terug te plaatsen. Ook op dat punt is [eiseres] dan ook niet in verzuim. Het beroep op schuldeisersverzuim slaagt niet.
De hoofdsom en de wettelijke rente worden toegewezen, de rentevordering niet
Gelet op het vorenstaande moet [gedaagde] € 5.487,70 aan [eiseres] betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. De gevorderde rente van € 59,33 wordt afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft toegelicht vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim zou zijn noch vanaf welke datum rente is berekend.
De incassokosten worden afgewezen
De gevorderde incassokosten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat [eiseres] een veertiendagenbrief aan [gedaagde] heeft gestuurd.
De proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- dagvaarding |
€ |
126,46 |
|
|
- griffierecht |
€ |
559,– |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,– |
(2 punten x tarief € 360,–) |
|
- nakosten |
€ |
144,– |
|
|
----------- |
|||
|
Totaal |
€ |
1.549,46 |
6 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 5.487,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van gehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.549,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.