Civiel recht overig

Niet terugbetaalde geldlening.

Rechtbank Overijssel, 19 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 19 augustus 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
30 augustus 2026
Zaaknummer
C/08/348919 / HA ZA 26-214
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. H.J. Koop
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5242
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Niet terugbetaalde geldlening.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/348919 / HA ZA 26-214

Vonnis van 19 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. H.J. Koop,

tegen

1 [gedaagde 1] V.O.F.,

te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde 2],

te [woonplaats 2] ,
3. [gedaagde 3],

te [woonplaats 3] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] c.s.,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 juni 2026;

- het tegen [gedaagde 1] c.s. verleende verstek.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1

Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [gedaagde 1] c.s is op de eerstdienende dag niet verschenen, zodat tegen haar verstek is verleend.

2.2

[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2.3

De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.

2.4

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom zal een bedrag van € 1.775,00 worden toegewezen.

2.5

[gedaagde 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

125,57

- griffierecht

€

1.414,00

- salaris advocaat

€

2.051,00

(1 punt × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.779,57

2.6

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.7

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2023, tot de dag van volledige betaling,

3.2

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,

3.3

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 3.779,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.4

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Beusekom en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.