Civiel recht overig
Rechtbank Overijssel · Eerste aanleg - enkelvoudig · Civiel recht overig
Rechtbank Overijssel, 23 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5897 · Rechtbank Overijssel · 23 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-5897
Zaakgegevens
Op 23 september 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almelo
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Datum publicatie
- 4 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/08/350851 / HA ZA 26-309
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.A. Stal
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5897
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstek.
Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/350851 / HA ZA 26-309
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. J.A. Stal,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Waar gaat de zaak over?
De bank vordert van [gedaagde] betaling van de hoofdsom van
€ 214.241,00 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2025 en betaling van de beslag- en proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De bank heeft daartoe het volgende, kort samengevat, naar voren gebracht. Volgens de bank is [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van een restschuld van een beëindigde kredietovereenkomst. Nakoming is, ondanks aanmaning daartoe, door [gedaagde] uitgebleven. De bank vordert dan ook nakoming van deze verplichting door [gedaagde]. Daarnaast maakt de bank aanspraak op betaling van de beslag- en proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[gedaagde] is niet verschenen in deze procedure. Zij heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van de bank.
3 De beoordeling
De bank heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De bank vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.603,92 voor kosten deurwaardersexploten, € 735,00 voor griffierecht en € 2.885,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 2.885,00), totaal € 5.223,92.
De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
128,65 |
|
|
- griffierecht |
€ |
6.327,00 |
(€ 7.062,00 - € 735,00) |
|
- salaris advocaat |
€ |
2.885,00 |
(1 punt × € 2.885,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
9.529,65 |
De gevorderde wettelijke rente over de kosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt [gedaagde] om aan de bank te betalen een bedrag van € 214.241,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 1 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 5.223,92, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, indien en voor zover deze kosten niet binnen deze termijn door [gedaagde] zijn betaald,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.529,65, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening, indien [gedaagde] niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag € 5.661,57 vanaf de vijftiende dag na dit vonnis en over het bedrag van € 98,00 plus de kosten van betekening vanaf de vijftiende dag na de betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. (ak) |