Civiel recht overig

Toewijzing voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing.

Rechtbank Overijssel, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/351290 / JE RK 26-1474
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5977
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Toewijzing voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Zwolle

Zaaknummer: C/08/351290 / JE RK 26-1474

Datum uitspraak: 17 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Zwolle,

hierna te noemen de raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat mr. R.W. van Faassen uit Zwolle,

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle, hierna te noemen de GI.


en [minderjarige].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 8 september 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 21 september 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een crisisvoorziening verleend tot 21 september 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

1.2.

Daarna heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen die zij meeneemt in de beoordeling:

- Een e-mail van de moeder van 13 september 2026.

1.3.

Op 17 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • de vader met zijn advocaat;

- [naam 1] namens de Raad;

- [naam 2] en [naam 3] namens de GI.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 8 september 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Voor de onderbouwing van zijn verzoek verwijst de raad naar de overgelegde stukken. Op de mondelinge behandeling heeft de raad toegelicht dat de ouders nagenoeg dezelfde zorgen hebben als de GI. Op dit moment zijn er nog weinig mogelijkheden om het gedrag van [minderjarige] op een positieve manier te beïnvloeden. De raad verwacht dat de verzochte maatregelen ervoor zullen zorgen dat de situatie rondom [minderjarige] beter wordt.

4 De standpunten

4.1.

De moeder is het eens met de verzoeken. Ze denkt dat [minderjarige] op dit moment goed wordt geholpen. Dat is belangrijk omdat [minderjarige] zelf nog niet helemaal weet hoe ze om moet gaan met de autistische kenmerken die zij heeft. Tussen [minderjarige] en de moeder is app-contact. Dat vindt de moeder fijn. [locatie] lijkt op dit moment de goede plek voor [minderjarige]. De moeder merkt dat [minderjarige] hier nog wel moet wennen.

4.2.

De vader is het eens met de verzoeken. Bij hem is een grens bereikt en het lukt hem niet meer om [minderjarige] op te vangen. De vader merkt dat [minderjarige] niet meer naar hem luistert. Het gedrag van [minderjarige] ziet de vader als een schreeuw om aandacht. [minderjarige] heeft zorg nodig. De vader hoopt dat [locatie] een goede plek is voor [minderjarige], maar daar heeft hij op dit moment nog onvoldoende zicht op.

4.3.

[minderjarige] vindt het prima als de jeugdbeschermer langer betrokken blijft. Eerder had [minderjarige] gesprekken met de jeugdconsulent Natalie. Dat vond [minderjarige] fijn en zou ze wel weer willen. Ze vindt [locatie] niet echt een leuke plek. De jeugdbeschermer zal proberen of er een plek voor [minderjarige] te vinden is in Zwolle, Meppel of [plaats]. Het maakt [minderjarige] niet zoveel uit of ze naar huis gaat.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter dient nog een beslissing te nemen op het verzoek van de raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen tot 7 december 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.3.

In de afgelopen maanden is [minderjarige] regelmatig weggelopen. Toen [minderjarige] nog bij de vader woonde is ze weggelopen naar een aantal oudere jongens. [minderjarige] is in de afgelopen periode al een aantal keren weggelopen van [locatie]. [minderjarige] verbleef dan bij een vriend en diens moeder. Het verblijf van [minderjarige] bij de oudere jongens en bij haar vriend leken niet de beste plekken voor [minderjarige]. Daardoor was er een risico dat [minderjarige]’s veiligheid in gevaar kwam. Het is op dit moment nog onduidelijk waar het wegloopgedrag van [minderjarige] vandaan komt. Het is noodzakelijk dat hier duidelijkheid over komt zodat het wegloopgedrag van [minderjarige] in de toekomst niet meer aan de orde is. Dit zal het risico dat [minderjarige]’s veiligheid in gevaar komt verminderen.

5.4.

Naast het weglopen liet [minderjarige] ook op andere momenten zien dat zij niet wilde meewerken. Zo heeft de vader verklaard dat [minderjarige] in zijn thuissituatie niet luisterde. Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij haar vriend heeft zij tegen de jeugdconsulent gezegd dat zij niet mee wilde werken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] weer bij [locatie] verblijft en dat dat nu beter gaat De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] gaat inzien dat de hulpverleners haar vooruit kunnen helpen.

5.5.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.

5.6.

Van 2021 tot midden 2023 heeft [minderjarige] bij haar moeder gewoond. Destijds was dit geen stabiele plek voor [minderjarige] omdat er tussen de moeder en haar partner onveilige situaties plaatsvonden en de moeder bekend is met een bipolaire stoornis. Op dit moment zijn er vanuit de gemeente zorgen over de thuissituatie van de moeder en wil [minderjarige] niet bij de moeder wonen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een verblijf van [minderjarige] bij de moeder niet in [minderjarige]’s belang is. [minderjarige] heeft sinds midden 2023 tot september 2026 bij de vader gewoond. Ook tijdens dit verblijf waren er onveilige situaties voor [minderjarige] vanwege de zorgen over het alcoholgebruik van de vader. De gemeente heeft hier op dit moment ook zorgen over. In combinatie met de zorg voor zijn partner en het gedrag van [minderjarige] lukt het de vader niet meer om [minderjarige] bij hem te laten verblijven. Met inachtneming van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een verblijf van [minderjarige] bij de vader ook niet in [minderjarige]’s belang is. [minderjarige] verblijft op dit moment al een aantal weken bij [locatie]. Ondanks dat [minderjarige] dit geen fijne plek vindt, is de kinderrechter van oordeel dat dit verblijf op dit moment het meest aansluit bij [minderjarige]. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat de GI nog wel zal onderzoeken of een verblijf van [minderjarige] dichter bij [plaats] mogelijk is, zoals [minderjarige] zelf graag wil. Zolang die plek er niet is, is het verblijf bij [locatie] in het belang van [minderjarige]. [locatie] is in staat om [minderjarige] de structuur te bieden die zij nodig heeft.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel met ingang van 21 september 2026 tot 7 december 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 september 2026 tot 7 december 2026;

6.3.

verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.

6.4.

bepaalt dat een eventueel verzoek van de raad, strekkende tot het uitspreken van een ondertoezichtstelling, zal worden behandeld op 24 november 2026 om 11.45 uur, welke mondelinge behandeling wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Zwolle, tot het bijwonen van welke mondelinge behandeling alle belanghebbenden die een afschrift van deze beschikking ontvangen hierdoor worden opgeroepen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. C.W. Couperus - van Kooten, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.

Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).