Civiel recht overig

Afwijzing vordering incident in verzetprocedure tot schorsing van uitvaarbaarheid bij voorraad…

Rechtbank Overijssel, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
11 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/349913 / HA ZA 26-273
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. J. Schutrups, mr. J.M.E. Hamming
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6097
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing vordering incident in verzetprocedure tot schorsing van uitvaarbaarheid bij voorraad. Belangenafweging. Geschil over ontvankelijkheid verzet.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/349913 / HA ZA 26-273

Vonnis in incident van 30 september 2026

in de zaak van

1 [eiser] ,

te [woonplaats 1],
2. [eiseres] ,

te [woonplaats 2],

eisers in verzet,

eisers in het incident,

hierna samen te noemen: [eisers],

advocaat: mr. J. Schutrups,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

te [woonplaats 3],
2. [gedaagde 2] ,

te [woonplaats 4],

gedaagden in verzet,

verweerders in het incident,

hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. J.M.E. Hamming.

1 De procedure

1.1

In het dossier van de rechtbank zitten de volgende stukken:

- het dossier van de zaak C/08/346677 / HA ZA 26/121 met het verstekvonnis van 20 mei 2026;

- de verzetdagvaarding van 2 juli 2026, met incidentele conclusie tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het verstekvonnis,

- de conclusie van antwoord in het incident, tevens vermeerdering van eis,

1.2

Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat zij vonnis in het incident wijst.

2 De zaak in het kort


De rechtbank heeft [eisers] bij verstek veroordeeld om (onder meer) een schutting, een schot en andere objecten, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eisers] heeft een verzetdagvaarding ingediend waarin hij alsnog verweer voert tegen de vordering van [gedaagden]. Daarbij vordert hij in incident schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis. De rechtbank wijst de vordering in het incident af en geeft [eisers] in de hoofdzaak de mogelijkheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen [gedaagden] heeft aangevoerd over de ontvankelijkheid van het verzet.

3 De beoordeling

In het incident

3.1

[eisers] vordert in het incident de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 mei 2026 (zaak-/rolnummer C/08/346677 / HA ZA 26/121), gewezen tussen [gedaagden] als eisers en [eisers] als gedaagden, te schorsen totdat de rechtbank bij onherroepelijk vonnis op het verzet heeft beslist, dan wel de uitvoerbaarheid van het verstekvonnis op te heffen, dan wel een andere voorlopige maatregelen te treffen die de rechtbank in goede justitie geraden acht. Ook vordert hij in het incident dat [gedaagden] in de kosten van het incident, inclusief nakosten, wordt veroordeeld.

3.2

[gedaagden] heeft daartegen verweer gevoerd. Hij voert aan dat het verzet niet tijdig is ingesteld en dat reeds daarom geen grond bestaat voor toewijzing van de incidentele vordering. [gedaagden] verzoekt de rechtbank dan ook om eerst en vooraf op het ontvankelijkheidsverweer te beslissen en [eisers] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzet wegens overschrijding van de termijn van artikel 143 lid 2 Rv.

3.3

De rechtbank overweegt het volgende. Uitgangspunt is dat de tenuitvoerlegging van een (verstek)vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, hangende een hogere voorziening ten uitvoer moet kunnen worden gelegd. Indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd is uitgesproken -en dus moet worden aangenomen dat nog geen daarop gerichte belangenafweging heeft plaatsgevonden- kan de rechtbank de tenuitvoerlegging van een (verstek)vonnis schorsen (onder meer) indien sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde (in dit geval: [eisers]) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen (in dit geval: [gedaagden]), bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan..

Het is aan [eisers] om de omstandigheden te stellen die zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging onderbouwen. [eisers] heeft dat niet gedaan. Hij heeft niet toegelicht welk concreet en zwaarwegend belang hij heeft bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het (verstek)vonnis. Daarom bestaat er geen aanleiding voor een nadere inhoudelijke belangenafweging. De rechtbank zal de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad daarom afwijzen.

Proceskosten

3.4

[eisers] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × € 653,00)

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

Totaal € 842,00

In de hoofdzaak

3.5

Gelet op het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagden] ziet de rechtbank aanleiding [eisers] de gelegenheid te geven te reageren op de stelling van [gedaagden] dat

[eisers] reeds vóór 27 mei 2026 bekend was met het op 20 mei 2026 gewezen verstekvonnis. De zaak zal daartoe naar na te melden roldatum worden verwezen.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1

wijst de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis af,

4.2

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4

verwijst de zaak naar de rol van 28 oktober 2026 voor het nemen van akte zoals bedoeld onder rechtsoverweging 3.5.

4.5

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. van Beusekom en in het openbaar uitgesproken door

mr. U. van Houten op 30 september 2026.

Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.