Civiel recht overig

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen drie kinderen. De man moet op grond van beslissingen van de…

Rechtbank Overijssel, 19 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 19 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/350108 / KG ZA 26-180
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. M.A. Knobben, mr. R. Westendorp-Hertgers
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6292
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen drie kinderen. De man moet op grond van beslissingen van de rechtbank aan de vrouw kinderalimentatie betalen. Volgens de vrouw heeft de man een betalingsachterstand. Zij heeft daarom beslag laten leggen op zijn auto. De executoriale verkoop is aangezegd.

De man stelt dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat hij zelfs meer heeft betaald dan waartoe hij verplicht is (geweest). Volgens de man maakt de vrouw misbruik van bevoegdheid door de executie voort te zetten. De man wil met het door hem ingestelde kort geding executie voorkomen en vordert opheffing van beslag.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de betalingen van de man aan de vrouw vanaf december 2023 tot maart 2025 niet als betaling van de verschuldigde kinderalimentatie kunnen worden aangemerkt. Daardoor resteert een achterstand in de betaling van de alimentatie. Voortzetting van de executie levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen misbruik van bevoegdheid op. De vordering tot opheffing van beslag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: C/08/350108 / KG ZA 26-180

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2026

in de zaak van

[de man] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.A. Knobben,

tegen

[de vrouw] ,

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Westendorp-Hertgers.

1 De zaak in het kort

1.1.

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen drie kinderen. De man moet op grond van beslissingen van de rechtbank aan de vrouw kinderalimentatie betalen. Volgens de vrouw heeft de man een betalingsachterstand. Zij heeft daarom beslag laten leggen op zijn auto. De executoriale verkoop is aangezegd.

1.2.

De man stelt dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat hij zelfs meer heeft betaald dan waartoe hij verplicht is (geweest). Volgens de man maakt de vrouw misbruik van bevoegdheid door de executie voort te zetten. De man wil met het door hem ingestelde kort geding executie voorkomen en vordert opheffing van beslag.

1.3.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de betalingen van de man aan de vrouw vanaf december 2023 tot maart 2025 niet als betaling van de verschuldigde kinderalimentatie kunnen worden aangemerkt. Daardoor resteert een achterstand in de betaling van de alimentatie. Voortzetting van de executie levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden geen misbruik van bevoegdheid op. De vordering tot opheffing van beslag wordt afgewezen.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6 van de man,
- de producties 1 tot en met 6 van de vrouw,

- de aanvullende producties 7 en 8 van de man,
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026,
- de pleitnota van de vrouw,
- de aanhouding ten behoeve van partijen, om hen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te beproeven
- het bericht namens de vrouw dat, nadat herhaaldelijk om verlenging van de overlegtermijn is gevraagd, alsnog om vonnis wordt verzocht.

2.2.

Vervolgens is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

3 De feiten

3.1.

De man en de vrouw zijn gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van drie minderjarige kinderen.

3.2.

Bij - onherroepelijke - beschikking van 15 december 2023 in de zaken met zaaknummers C/08/280054 / ES RK 22-2085 en C/08/282826 / ES RK 22-3307 (hierna: de beschikking van 15 december 2023) heeft deze rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man bepaald. Verder is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van de beschikking vastgesteld op € 108,00 per kind per maand, in totaal € 324,00 per maand.

3.3.

De man heeft vanaf november 2023 tot en met februari 2025 maandelijks de volgende bedragen aan de vrouw overgemaakt tot een totaal van € 9.732,00:

Datum

Bedrag in €

Omschrijving

24-11-2023

357,50

Kindgebondenbudget nov

23-12-2023

449,50

KGB december

29-01-2024

449,50

KGB

25-02-2024

449,50

KGB

20-03-2024

450,00

KGB maart

26-04-2024

450,00

22-05-2024

450,00

KGB mei

21-06-2024

450,00

22-07-2024

450,00

21-08-2024

478,00

20-09-2024

480,00

KGB

22-10-2024

957,00

Hele KGB oktober

20-11-2024

957,00

25-12-2024

968,00

20-01-2025

968,00

KGB

22-02-2025

968,00

KGB

3.4.

Op 3 oktober 2024 heeft de man een Whatsappbericht naar de vrouw gestuurd waarin hij schrijft:

“Hi [de vrouw], as you know I have to leave the house at the [adres] at the end of the month. I still not have an alternative, allthough I am busy with it for a long time. From this week on I clear the house which means I can not longer receive the boys. Allthough I do not like this idea, I have no options left. I do hope to solve the housing problem as soon as possible (on monday the urguntie-commissie will judge about my situation). I ask you to take care of our 3 boys during this period. Off course you will get all of the KGB and kinderbijslag as long as I have no place to receive the boys. [de man]”

3.5.

Op 5 maart 2026 heeft de man een verzoekschrift tot wijziging van de kinderalimentatie ingediend. Op 13 juli 2026 heeft deze rechtbank daarover in de zaken met zaaknummers C/08/345633 / FA RK 26-553 en C/08/345660 / FA RK 26-560 beschikking gewezen (hierna: de beschikking van 13 juli 2026). De rechtbank heeft daarbij onder andere geoordeeld dat onvoldoende was onderbouwd dat de kinderalimentatie in de beschikking van 15 december 2023 niet goed was berekend doordat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens was uitgegaan. Verder is geoordeeld dat sindsdien sprake is van gewijzigde omstandigheden. De kinderen woonden inmiddels bij de vrouw en de man ontving een Ziektewetuitkering. De rechtbank heeft de draagkracht van de man gelet hierop gesteld op € 50,00 per maand en de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 5 maart 2026 op dat bedrag vastgesteld. De rechtbank heeft over de ingangsdatum van de wijzing het volgende overwogen:

“5.5. De man stelt dat de wijziging van omstandigheden al speelt sinds het einde van zijn dienstverband op 28 februari 2025. De man heeft echter niet eerder dan 5 maart 2026 een wijzigingsverzoek bij de rechtbank ingediend. Het is de rechtbank gebleken dat de man op 4 juli 2025 een TIA/CVA heeft gehad waardoor hij nu beperkingen ervaart, zoals met betrekking tot zijn kortetermijngeheugen. De man had ook voor zijn TIA/CVA niets ondernomen om een wijzigingsverzoek in te dienen. Vanaf oktober 2024 draagt de man de zorg niet meer voor de kinderen volgens de vrouw, maar heeft financieel niets bijgedragen. Als de man al meer woonlasten heeft betaald dan voor zijn rekening moest komen of de alimentatie op een andere manier is verrekend met de vrouw, dan houdt de rechtbank het ervoor dat dit vrijwillig is gebeurd, nu dit voor het overige ook niet is onderbouwd. De rechtbank is alles afwegende daarom van oordeel dat de ingangsdatum voor het gewijzigde bedrag moet worden gezet op de datum van het verzoekschrift, 5 maart 2026. Dat de van het verzoek niet eerder heeft ingediend laat de rechtbank voor zijn rekening en risico.”

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat ook deze beschikking inmiddels definitief is, nu partijen tijdens de mondelinge behandeling niet gezegd hebben dat hoger beroep ingesteld was of zou worden.

3.6.

Op 20 juli 2026 heeft de vrouw executoriaal beslag laten leggen op de auto van het merk Peugeot 2008 met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) van de man. Diezelfde dag heeft de deurwaarder de verkoop van de auto aangezegd tegen 6 augustus 2026.

3.7.

De veilingprijs van de auto bedraagt volgens een ANWB Koerslijst op 23 juli 2026 € 5.450,00.

3.8.

De man heeft de vrouw op 22 juli 2026 per e-mail gesommeerd om uiterlijk op 24 juli 2026 voor 12:00 uur te bevestigen dat het beslag wordt opgeheven en dat de aangezegde verkoop van de auto geen doorgang zal vinden. De vrouw heeft daar geen gevolg aan gegeven. De man is hierna dit kort geding gestart. In afwachting van de uitkomst hiervan, is de verkoop van de auto opgeschort.

4 Het geschil

4.1.

De man vordert opheffing van het beslag op zijn Peugeot met kenteken [kenteken], met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.2.

De man stelt dat de vordering waarvoor wordt geëxecuteerd niet bestaat, omdat de bedragen die hij vanaf november 2023 aan de vrouw heeft betaald als kinderalimentatie moeten worden aangemerkt. Dat bij een aantal betalingen “KGB” staat vermeld, maakt dat volgens hem niet anders. Volgens de man heeft hij aan zijn verplichtingen voldaan en zelfs meer betaald dan waartoe hij verplicht is (geweest). De vrouw heeft dan ook geen in redelijkheid te respecteren belang bij voorzetting van de executie, aldus de man. Verder stelt de man dat voortzetting van de executie misbruik van bevoegdheid oplevert. Hij wijst daarbij op zijn medische situatie en het waardeverlies bij executoriale verkoop. Tot slot stelt hij dat de executie, mede gelet op de te verwachten opbrengst en kosten daarvan, geen redelijk verhaalsdoel dient en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.3.

De vrouw stelt zich allereerst op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij haar niet overeenkomstig artikel 4.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken onverwijld in kennis heeft gesteld van de datum van het kort geding. Verder betwist de vrouw dat de betalingen van de man als kinderalimentatie gelden. Volgens haar betroffen de betalingen het kindgebonden budget (hierna: KGB) en bleef de man daarnaast alimentatie verschuldigd. De vrouw stelt dat de achterstallige kinderalimentatie tot aan de mondelinge behandeling € 9.799,86 bedraagt, te vermeerderen met de kosten van de deurwaarder. Volgens de vrouw rechtvaardigt de achterstand de executie en heeft de vrouw ook belang bij voortzetting daarvan. De auto biedt volgens de vrouw een reële verhaalsmogelijkheid. De vrouw betwist dat de man de auto om medische redenen noodzakelijk nodig heeft en wijst erop dat hij geen alternatief heeft aangeboden om de achterstand te voldoen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.

De man heeft de advocaat van de vrouw een dag nadat hij van de rechtbank de datum van het kort geding had doorgekregen, van die datum in kennis gesteld. Daarbij zijn de conceptdagvaarding en dagbepaling niet meebetekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van de vrouw over de wijze waarop zij van de zittingsdatum op de hoogte is gesteld, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de man. De vrouw is alsnog op de hoogte gesteld van de datum en zij heeft de stukken ontvangen. Niet gesteld of gebleken is dat zij in haar verdediging is geschaad.

Spoedeisend belang

5.2.

Op de auto van de man is beslag gelegd. De executoriale verkoop is aangezegd. De man wil executie van de auto voorkomen. Het spoedeisend belang van de man bij de gevraagde voorziening volgt daarmee uit de aard van de vordering.

Toetsingskader

5.3.

De man is van mening dat de executie van het op de auto gelegde beslag onterecht is en vordert dat de voorzieningenrechter het beslag op de auto opheft. Hieruit volgt dat tussen partijen sprake is van executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv.

5.4.

Van belang is dat tegen de in de beschikkingen van de rechtbank vervatte beslissingen op grond waarvan de executie geschiedt definitief zijn. Voor toewijzing van de vordering van de man bestaat dan in beginsel enkel grond ingeval sprake is van misbruik van bevoegdheid waarvan onder andere, maar niet uitsluitend, sprake kan zijn in geval van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis dat ten uitvoer wordt gelegd of in geval van een noodtoestand op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten. Dit zijn slechts voorbeelden van een situatie waarin de partij die bevoegd is een uitspraak ten uitvoer te leggen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen en dan dus haar bevoegdheid misbruikt overeenkomstig de in artikel 3:13 BW genoemde maatstaf (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3098). Zo kan ook sprake van zijn van bedoeld misbruik van bevoegdheid indien betaling wordt afgedwongen terwijl vaststaat dat reeds was betaald (zie HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9224).

De door de man gedane betalingen

5.5.

Tussen partijen staat vast dat de man een alimentatieverplichting heeft en dat hij bepaalde bedragen aan de vrouw heeft betaald. Partijen verschillen van mening over de vraag of en in hoeverre die betalingen op de alimentatieverplichting in mindering strekken. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.6.

De eerste betaling is van november 2023. Deze is in lijn met de door partijen tijdens de mondelinge behandeling van in afwachting van de beschikking gemaakte afspraak dat de man de helft van het kindgebonden budget aan de vrouw zou overmaken en zolang die afspraak gold geen kinderalimentatie zou betalen (zie ook r.o. 6.24 van de beschikking van 15 december 2023).

5.7.

Na de beschikking van 15 december 2023 heeft de man bedragen zoals hiervoor vermeld onder 3.3 aan de vrouw overgemaakt. Deze bedragen stemmen niet overeen met het bedrag dat hij aan alimentatie diende te betalen op grond van de beschikking van 15 december 2023. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026 verklaard dat het bedrag aan kinderalimentatie dat hij na de beschikking moest betalen lager was dan het bedrag dat hij voor de beschikking op grond van de tijdelijke afspraak betaalde, maar dat hij uit eerlijkheid met de betaling van het bedrag aan KGB is doorgegaan omdat het voor hem niet goed voelde om de vrouw minder te geven. De voorzieningenrechter stelt vast dat de man in de periode van december 2023 tot en met september 2024 maandelijks een bedrag van € 450,00 à € 480,00 en in de periode van oktober 2024 tot en met februari 2025 maandelijks een bedrag van ongeveer € 960,00 aan de vrouw overgemaakt heeft. Waar het aanvankelijk ging om de helft van het door de man ontvangen KGB, ging het na september 2024 om het gehele door de man ontvangen bedrag aan KGB. Daarna heeft hij zijn betalingen aan de vrouw gestaakt. Toen partijen uit elkaar gegaan zijn, is de man in de echtelijke woning aan de [adres] gebleven. De vrouw heeft vanaf dat moment op verschillende (logeer)adressen verbleven. Voor de kinderen bestond een zorgregeling, op grond waarvan de man de ene week voor de kinderen zorgde en de vrouw de andere week. Daarbij maakten partijen gebruik van een ‘birdnest’- constructie, waarbij de kinderen in de voormalige echtelijke woning blijven en de ouders om elkaar om de beurt afwisselen in dat huis. De vrouw heeft dus in de desbetreffende periode net als de man om de week met de kinderen in de echtelijke woning verbleven. In oktober 2024 is de situatie gewijzigd. De man heeft de echtelijke woning aan de [adres] na verkoop verlaten en de kinderen zijn bij de vrouw, die inmiddels een eigen woning had, gaan wonen. De man heeft de vrouw ook op 3 oktober 2024 bericht dat zij, zolang deze situatie voortduurde, het volledige KGB en de kinderbijslag zou ontvangen (zie hiervoor onder 3.4). Vanaf februari 2025 heeft de man niet langer het KGB ontvangen. Vanaf dat moment heeft de vrouw, als ontvanger van de kinderbijslag, ook het KGB ontvangen.

5.8.

Gelet op de hoogte en het moment van de verschillende betalingen enerzijds en de geschetste omstandigheden, waarin de man, de vrouw onderscheidenlijk de kinderen zich in bevonden en de wijziging van die omstandigheden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er een verband bestaat tussen de betalingen en de omvang van de door de man onderscheidenlijk de vrouw uitgevoerde zorgtaken. Voor de beschikking van de rechtbank van 15 december 2023 vond de verzorging van de kinderen plaats op basis van de afgesproken ‘birdnest’- constructie. Na de beschikking bleef die bestaan en is de man de helft van het KGB aan de vrouw blijven betalen. Hij is ertoe overgegaan om het gehele KGB aan de vrouw te betalen, toen een eind kwam aan de gebruikte constructie en de kinderen bij de vrouw gingen wonen en hij is opgehouden met het betalen van KGB toen niet hij, maar de vrouw het KGB van het Rijk ontving.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de man bij een aanzienlijk deel van de betalingen ook vermeld heeft dat het om betaling van KGB ging. In het hiervoor onder 3.4 genoemde Whatsappbericht van 3 oktober 2024 kondigt hij ook aan in het vervolg het gehele KGB naar de vrouw over te maken. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat de betalingen van de man zoals opgenomen onder r.o. 3.3 in het kader van dit kort geding beschouwd moeten worden als betalingen van (een deel van) het KGB aan de vrouw. Daaruit vloeit voort dat deze betalingen door de man niet gedaan zijn als betalingen van kinderalimentatie.

5.9.

Dat betekent dat de stelling van de man dat hij meer betaald heeft dan waartoe hij op grond van de beschikkingen van de rechtbank van 15 december 2023 en 13 juli 2026 gehouden was niet kan slagen.

5.10.

Het moge zo zijn, dat de rechtbank in haar beschikking van 15 december 2023 opgenomen heeft dat zij ervan uitgaat dat de man met ingang van de beschikking niet langer de helft van het KGB naar de vrouw overmaakt en het KGB meetelt bij haar berekening van het voor de vaststelling van de kinderalimentatie belang zijnde besteedbaar inkomen van de man, maar dat staat er niet aan in de weg dat de man daarnaast (vrijwillig) (een deel van) het KGB aan de vrouw betaald heeft.

5.11.

De voorzieningenrechter bekijkt nu of de vrouw overigens naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar executierecht kan komen, in aanmerking nemend de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening daarvan en het belang van de man dat daardoor wordt geschaad.

5.12.

Om te beginnen ligt de vraag voor of de vrouw na de ontvangst van een deel van het KGB geen aanspraak meer zou mogen maken op kinderalimentatie. Met andere woorden: moet de vrouw geacht worden met haar deel van het KGB datgene ontvangen te hebben waar zij voor de verzorging van de kinderen behoefte aan heeft, zodat zij met haar eis voor kinderalimentatie evident overvraagt? De voorzieningenrechter stelt voorop dat het kindgebonden budget een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen is (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het kindgebonden budget) en dat de kinderalimentatie voorziet in de kosten van verzorging en opvoeding van (minderjarige) kinderen (artikel 1:404 BW). Iemand die zowel kindgebonden budget als kinderalimentatie ontvangt kan de desbetreffende gelden dus voor hetzelfde doel aanwenden. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de man, zoals hiervoor overwogen, besloten heeft, zonder dat daartoe een rechterlijke beslissing aan ten grondslag lag, na 15 december 2023 door te gaan met het betalen van (een deel van) het KGB aan de vrouw. De man zegt dat uit eerlijkheid gedaan te hebben en de voorzieningenrechter begrijpt dit zo dat de reden daarvoor was dat de vrouw in tijdsduur evenveel voor de kinderen zorgde als de man. Toen de man de echtelijke woning verliet en de kinderen bij de vrouw gingen wonen is de man het gehele KGB aan de vrouw gaan overmaken. De voorzieningenrechter moet er op dit moment van uitgaan dat de vrouw het overgemaakte geld ook gebruikt heeft voor de verzorging van de kinderen. Voor een andersluidende conclusie bestaan geen aanwijzingen. Het door de man aan de vrouw van kinderalimentatie in aanvulling daarop betalen betekent het verschaffen van meer middelen aan de vrouw van middelen ten behoeve van de zorg voor de kinderen.

Vooralsnog kan de voorzieningenrechter niet tot de conclusie komen dat de vrouw na de betalingen van (een deel van) het KGB geen betaling van kinderalimentatie zou kunnen verlangen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Van belang is dat het kindgebonden budget wel in aanmerking dient te worden genomen bij de bepaling bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt en niet bij de bepaling van de behoefte van het kind (zie HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011). Indien de man geen of slechts een deel van het KGB tot zijn beschikking kreeg, omdat hij (een deel van) het KGB aan de vrouw afdroeg zou dat kunnen betekenen dat hij feitelijk over minder middelen beschikte en dat in die zin zijn draagkracht minder was dan de draagkracht die de rechtbank vastgesteld heeft in haar beschikking van 15 december 2023. Dat zou dan tot het vaststellen van een lager bedrag aan kinderalimentatie geleid kunnen hebben. De man heeft echter nagelaten om in het kader van dit kort geding een nadere opstelling van zijn inkomsten of nadere berekening van de kinderalimentatie in het geding te brengen.

Daarnaast leidt het niet ontvangen van KGB er niet toe dat de man geen verplichting tot het betalen van kinderalimentatie zou kunnen hebben. Voor het bepalen van de draagkracht zijn immers alle inkomsten van belang. Dat volgt ook uit de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2026.

5.13.

De voorzieningenrechter wijst er overigens op dat, ook in geval de betalingen opgenomen onder 3.3 ook te beschouwen zijn als betalingen van kinderalimentatie, het totaalbedrag van die betalingen € 9.374,50 is en kleiner is dan de door de vrouw gestelde achterstallige kinderalimentatie, te weten een bedrag van € 9.799,86. De voorzieningenrechter merkt op dat hij bij de berekening van het eerste bedrag het bedrag van de betaling van november 2023 niet meetelt, omdat partijen het erover eens zijn dat deze betaling louter ziet op het overmaken van een deel van het KGB voordat de rechtbank de hoogte van de kinderalimentatie en het moment van het ingaan van de verplichting tot het betaling van die alimentatie (15 december 2023) bepaald had. Dus zelfs indien de man met zijn betalingen ook voldaan zou hebben aan zijn verplichting om kinderalimentatie te betalen, is in de betaling van die alimentatie een achterstand ontstaan.

5.14.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat misbruik van bevoegdheid met de executie door de vrouw niet te vinden is in de omstandigheid dat de man in de periode van december 2023 tot en met februari 2025 betalingen tot een bedrag

van € 9.374,50 aan de vrouw gedaan heeft.

5.15.

De man heeft nog naar voren gebracht dat het belang van de vrouw niet opweegt tegen het belang dat de man heeft bij het behoud van de auto. Dat laatste belang is gelegen in de omstandigheid dat hij, gezien zijn medische toestand, de auto nodig heeft voor zijn vervoer naar onder meer het ziekenhuis, therapie en specialisten. Met de vrouw is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat de door de man in het geding gebrachte verklaring van diens huisarts, waarin staat dat na een medische behandeling de fysieke actieradius man beperkt is en dat het voor hem handig zou zijn als hij zich met de auto kan verplaatsen, onvoldoende onderbouwing is van een zodanig zwaarwegende medische noodzaak om over de auto te beschikken dat het belang van de vrouw om te executeren daar in redelijkheid voor moet wijken.

5.16.

Tot slot heeft de man gewezen op de relatief beperkte waarde van de auto, waarop beslag is gelegd. Deze zou eraan in de weg staan dat bij de executie geveild wordt. Hierin volgt de voorzieningenrechter de man niet. Volgens de vrouw is de opbrengst te begroten op € 5.000,00 (een bedrag dat lager is dan de door de man zelf genoemde dagwaarde) en moeten de kosten van beslag en executie begroot worden op € 1.500,00. Dat laatste heeft de man niet betwist. Al met al is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 441, derde lid, Rv, waarnaar de man verwijst, waarin te voorzien is dat de opbrengst minder zal bedragen dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie.

5.17.

Andere feiten en omstandigheden heeft de man niet ten grondslag gelegd aan het zijn stelling dat de vrouw misbruik van haar executiebevoegdheid maakt.

5.18.

Het voorgaande overziende komt de voorzieningenrechter in dit kort geding tot het oordeel dat voortzetting van de executie van de auto niet kan worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid. De omstandigheden die de man heeft aangevoerd, wegen niet op tegen het gegeven belang van de vrouw bij verhaal van de nog openstaande alimentatievordering. De gevorderde opheffing van het beslag zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.19.

Nu partijen ex-echtelieden zijn, ziet de voorzieningenrechter daarin aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen van de man af,

6.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

!

!

!