Belastingrecht
Huur- en zorgtoeslag. Dienst Toeslagen heeft het recht op huur- en zorgtoeslag van eiser voor 2024 terecht…
Rechtbank Rotterdam, 9 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7307 · Rechtbank Rotterdam · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7307
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 23 juni 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/8409
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7307
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Huur- en zorgtoeslag. Dienst Toeslagen heeft het recht op huur- en zorgtoeslag van eiser voor 2024 terecht vastgesteld, waardoor hij € 7.835, - moet terugbetalen. De Dienst Toeslagen hoefde geen gebruik te maken van de bevoegdheid om de terugvorderingen te matigen. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Samenvatting
1. De Dienst Toeslagen heeft het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag van eiser voor 2024 vastgesteld, waardoor eiser € 7.835,- moet terugbetalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan en hoefde de Dienst Toeslagen geen gebruik te maken van de bevoegdheid de terugvorderingen te matigen. Eiser heeft zelf een onjuist inkomen opgegeven bij het aanvragen van de voorschotten, terwijl hij bekend was met de hoogte van zijn inkomen. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag van eiser voor 2024 vastgesteld.
Met het besluit van 18 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 juli 2025 ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 31 maart 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn dochter [naam 3] , en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Met het besluit van 4 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op zorgtoeslag voor het jaar 2024 vastgesteld op € 0,-, waardoor eiser € 2.833,- moet terugbetalen. Met hetzelfde besluit heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op huurtoeslag voor het jaar 2024 vastgesteld op € 78,-, waardoor eiser € 5.002,- moet terugbetalen. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
4. Eiser betoogt dat de Dienst Toeslagen het recht op zorg- en huurtoeslag te laag heeft vastgesteld. Bij de berekening van het toetsingsinkomen is het inkomen van een van de dochters van eiser meegenomen, terwijl zij al sinds eind 2023 niet meer bij hem woont. Eiser had eerder financiële problemen door een achterstand bij de betaling van zijn zorgverzekering, maar dit kwam mede door de zorgtoeslag en huurtoeslag weer onder controle. Door de terugvorderingen dreigt eiser opnieuw in de financiële problemen te komen, met stress, slapeloosheid en psychische klachten tot gevolg. De gevolgen van de terugvorderingen staan niet in verhouding tot het kleine administratieve probleem dat buiten de schuld van eiser is ontstaan.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van het recht op zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2024 juist vastgesteld en mocht de Dienst Toeslagen in redelijkheid het volledige bedrag terugvorderen. De rechtbank licht dit hierna toe.
Voor het recht op zorgtoeslag zijn alleen het inkomen van eiser en zijn partner relevant. Bij de aanvraag voor zorgtoeslag heeft eiser zijn inkomen in 2024 geschat op € 30.000,- en dat van zijn echtgenote op € 30.000,- negatief. Het inkomen van eiser in 2024 is uiteindelijk vastgesteld op € 47.825,- en dat van zijn echtgenote op € 0,-. Om voor zorgtoeslag in aanmerking te komen, bedraagt het maximale gezamenlijke inkomen in 2024 € 47.368,-. Het gezamenlijke inkomen van eiser en zijn echtgenote is hoger, zodat hij geen recht heeft op zorgtoeslag in 2024. Het inkomen van de dochter van eiser is niet relevant voor de vaststelling van de hoogte van het recht op zorgtoeslag.
Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen van eiser, zijn partner en de medebewoners. Een medebewoner is de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende. [naam 4] stond tot 23 mei 2024 ingeschreven op het adres van eiser. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit iets anders blijkt. De Dienst Toeslagen heeft haar daarom terecht als medebewoner aangemerkt en haar inkomen betrokken bij de vaststelling van de hoogte van het recht op huurtoeslag.
De Dienst Toeslagen kan een lager bedrag terugvorderen als de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen. Van een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als de terugvordering het gevolg is van het verschil tussen het geschatte inkomen en het definitieve toetsingsinkomen, of als de belanghebbende de terugvordering wegens ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij in 2024 in loondienst was en vooraf bekend was met de hoogte van zijn inkomen. Dat eiser bij de aanvraag om zorgtoeslag en huurtoeslag een onjuist inkomen heeft opgegeven, als gevolg waarvan aan hem voorschotten zijn verstrekt die hij nu moet terugbetalen, komt daarom voor zijn eigen risico. Eiser heeft de psychische problemen waarmee hij zou kampen niet onderbouwd. De Dienst Toeslagen hoefde daarom geen gebruik te maken van de bevoegdheid de terugvorderingen te matigen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.