Belastingrecht

Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat hij de…

Rechtbank Rotterdam, 13 juli 2026

Zaakgegevens

Op 13 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
13 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/8767
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:8455
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/8767


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer),

en

de heffingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling

(gemachtigde: mr. E. Blom).

Procesverloop

1. Met het besluit van 25 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 641.000,- op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).

1.1.

Met de uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen het besluit van 25 februari 2024 ongegrond verklaard.

1.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 8 juni 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [naam], taxateur.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser betoogt dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Aan nagenoeg identieke naburige woningen is een aanzienlijke lagere waarde toegekend. Ter onderbouwing heeft eiser een overzicht overgelegd van de WOZ-waardes van woningen aan de [straatnaam].

3. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk. De belanghebbende moet aannemelijk maken dat sprake is van een relevante groep van identieke woningen, in de zin dat de onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De verschillen tussen de woning van eiser en de woningen met een lagere WOZ-waarde aan de [straatnaam] zijn niet verwaarloosbaar. De woningen aan de [straatnaam] beschikken veelal over een open gedeelte op de begane grond, onder de woonlaag die is gelegen op de eerste verdieping, en over een dakterras. Bij sommige woningen is het open gedeelte op de begane grond afgesloten om als garage of woongedeelte te gebruiken, bij andere woningen is het dakterras aangepast naar een afgesloten dakopbouw. Het beschikken over meer woonoppervlakte op de begane grond of een extra verdieping leidt tot een niet verwaarloosbaar verschil in de marktwaarde van de woning. Alleen bij de woning van eiser en [adres 2] is sprake van zowel een afgesloten gedeelte op de begane grond als een dakopbouw. De WOZ-waarde van [adres 2] is voor hetzelfde belastingjaar hoger dan die van de woning van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde hetzelfde blijft.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. J.I. Kamp, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vgl. HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8945, r.o. 3.4.