Bestuursstrafrecht
Bestuurlijke boete van € 450.000 wegens het voor de vierde maal overtreden van het reclameverbod voor…
Rechtbank Rotterdam, 23 december 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:12019 · Rechtbank Rotterdam · 23 december 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursstrafrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2020-12019
Zaakgegevens
Op 23 december 2020 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 december 2020
- Datum publicatie
- 23 december 2020
- Zaaknummer
- ROT 20/6439
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2020:12019
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bestuurlijke boete van € 450.000 wegens het voor de vierde maal overtreden van het reclameverbod voor e-sigaretten. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen op basis van een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling, terwijl draagkracht niet ontbreekt.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/6439
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2020 als bedoeld in artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[Naam vennootschap], te [Plaats], verzoekster,
gemachtigden: mr. J. Hagers en mr. L.J.S.F. Foek,
en
de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,
gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen.
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd van € 450.000 wegens het overtreden van het in de Tabaks-en rookwarenwet neergelegde reclameverbod.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft verzoekster bericht dat hij het bestreden besluit niet zal opschorten.
Verweerder heeft desgevraagd wel aangegeven dat in afwachting van een uitspraak niet wordt ingevorderd en dat verzoekster een betalingsregeling kan treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, terwijl de voorzieningenrechter – zoals hierna blijkt – spoedeisendheid aanneemt, zal de voorzieningenrechter met overeenkomstige toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder zitting (vergelijk ECLI:NL:RVS:2020:830). Dat onderhavige kwestie betrekking heeft op een bestuurlijke boete maakt dit niet anders (vgl. ECLI:NL:RBROT:2020:8206), temeer daar dit niet de hoofdzaak betreft maar een voorlopige beoordeling.
2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
3. In de bijlage is het relevante wettelijk kader opgenomen.
4. Op 29 maart 2020 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geconstateerd dat op de website van verzoekster
[naam website]. reclame werd gemaakt voor elektronische dampwaar. Producten werden aangeboden met de categorieën “Ontdek onze producten”, “Soon” en “New”. Ook is geconstateerd dat er prijskorting werd gegeven op elektronische dampwaar middels het tabblad “Black Friday Sales” en de kortingscode “[naam kortingscode]”. De toezichthouder heeft hiervan op 31 maart 2020 een rapport van bevindingen opgemaakt. Verweerder heeft verzoekster gelet op het voorgaande, nadat eerder gelegenheid is gegeven voor het geven van een zienswijze, bij het bestreden besluit vanwege overtreding van artikel 5, eerste lid, van de Tabaks-en rookwarenwet beboet tot een bedrag van € 450.000. Dit bedrag is zo hoog omdat het gaat om een vierde overtreding van het reclameverbod binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de eerste boeteoplegging op 15 juni 2018. Verweerder heeft voorafgaand aan de oplegging van dit boetebedrag op basis van door verzoekster overgelegde financiële informatie een financiële hardheidstoets uitgevoerd en beslist dat verzoekster dit boetebedrag kan voldoen. Zowel de current ratio (2,1) als de solvabiliteit (1,1) scoren (fors) boven de norm. Met een bruto-omzet van € 5,8 mln., een positief resultaat van € 0,2 mln. en een eigen vermogen van € 0,7 mln. was de vennootschap volgens verweerder voldoende solide. Op basis van de bij het bezwaarschrift aangeleverde (aanvullende) bewijsstukken heeft de financiële afdeling van de NVWA vastgesteld dat de schuldpositie aan de eigenaar met ruim € 400.000 is verhoogd en er een dividenduitkering heeft plaatsgevonden van € 500.000 en er geen aanleiding is om het eerder uitgebrachte advies te wijzigen.
5. Gelet op de omstandigheid dat verzoekster de overtreding betwist en verzoekster stelt dat zij in financiële nood komt door de hoogte van de boete die niet gering is, ziet de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang en zal hij daarom overgaan tot een belangenafweging, die in de eerste plaats een voorlopige rechtmatigheidstoetsing van het bestreden besluit inhoudt. Daarbij geldt dat in het kader van de te verrichten belangenafweging niet iedere twijfel aan de vraag of het bestreden besluit (zonder nader onderzoek) in rechte stand kan houden reden zal zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening (ECLI:NL:RBROT:2020:9443). Daarvoor zal een nadere belangenafweging mogelijk noodzakelijk zijn.
6. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van verzoekster dat zij in haar verdediging is geschaad. Verweerder heeft haar in het kader van deze procedure alle stukken toegezonden, terwijl het in beginsel niet relevant is of een melding van een anonieme concurrent aanleiding is geweest voor het onderhavige onderzoek. Naar vaste rechtspraak is voor het doen van nalevingstoezicht niet relevant of er sprake is van een concrete verdenking (bijv. ECLI:NL:CBB:2017:326) en is het in beginsel niet relevant of een anonieme melding daartoe aanleiding gaf, want het gaat daarbij niet om een getuigenverklaring, want de gedragingen zijn zelf geconstateerd en vastgelegd door een toezichthouder in een rapport van bevindingen (vgl. ECLI:NL:CBB:2018:165).
7. Verzoekster betoogt verder tevergeefs dat het bestreden besluit geen stand kan houden omdat geen overtreding is begaan nu enerzijds uitingen zagen op producten die nog niet te koop waren en anderzijds sprake was van een korting die ten tijde van de constatering niet meer gold. Juist de aankondiging van nieuwe producten die binnenkort verkrijgbaar zijn vormt reclame. Daar komt bij dat er sprake is van het aanbieden van een korting. Dat dit verlopen “Black Friday Sales” zouden zijn, maakt dit niet anders. Ten tijde van het nalevingsonderzoek stond die met code op de website van verzoekster. Bovendien is die code daadwerkelijk gebruikt om met korting in de laatste maanden van 2019 producten te kopen. Indien die korting in november en december 2019 gold, was op dat moment evenzeer sprake van een overtreding, want artikel 5 van de Tabaks-en rookwarenwet voorzag toen ook in een reclameverbod, ook voor wat betreft kortingen.
8. Verzoekster betoogt tevergeefs dat de boeteoplegging niet opportuun is. Verzoekster is driemaal eerder beboet wegens in essentie dezelfde overtredingen. Zij heeft daar geen lering uit getrokken. Verzoekster is derhalve een hardnekkige recidivist. Zij kan zich in dit verband daarom niet beroepen op door haar genoemde rechtspraak waaruit volgt dat het ontbreken van de intentie om de wet niet na te leven een rol speelt bij de inzet en hoogte van de boeteoplegging. In dit licht is ook de stelling dat niet is voldaan aan het bepaaldheidsgebod niet kansrijk.
Verzoekster betoogt dat de aan haar opgelegde boete onevenredig hoog is. Verzoekster voert in dit verband aan dat zij door verweerder ten onrechte als fabrikant of producent is beboet, dat verweerder handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel door haar een veel hogere boete op te leggen dan haar concurrenten, waarbij zij onder meer wijst op een uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:7353), dat haar gelet op de eerste matigingen thans niet zonder matiging de hoogst mogelijke boete mag worden opgelegd en dat het haar ontbreekt aan draagkracht om zo’n hoge boete te voldoen. Ook wijst zij op een uitspraak van de van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:4675).
Om met het laatste te beginnen, in onderhavig geval verricht de voorzieningenrechter – net als hij in vergelijkbare gevallen doet – een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling. Hij ziet dan ook geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de door verzoekster genoemde uitspraak of een vergelijkbare eerdere uitspraak van
21 december 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:9126) van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat uit artikel 6:16 van de Awb de hoofdregel volgt dat het maken van bezwaar geen schorsende werking heeft. Voor bestuurlijke boetes geldt net als bij de publicatie daarvan niet op voorhand een uitzondering op dit uitgangspunt (zie ECLI:NL:RBROT:2019:10399).
Het vertrouwensbeginsel is niet aan de orde. Aan verzoekster is geen toezegging gedaan dat zij een lagere boete zou krijgen bij een volgende overtreding, terwijl dat een voorwaarde is om een beroep op dit beginsel te kunnen doen. In de door verzoekster aangehaalde uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2020 heeft de rechtbank een kleine producent, aan wie nog niet eerder een boete voor een vergelijkbare overtreding was opgelegd, weliswaar niet volledig gelijkgesteld met een detaillist, maar heeft zij de boete van het standaardtarief van € 45.000, die reeds door verweerder was gematigd tot
€ 9.000, verder gematigd tot € 4.500. Ook verzoekster is een kleine fabrikant, groothandelaar of importeur van tabaksproducten, elektronische sigaretten of navulverpakkingen. De positie van verzoekster verschilt echter aanmerkelijk van deze zaak nu verzoekster – zoals gezegd – een hardnekkige recidivist is die zich van de drie eerder aan haar opgelegde boetes niets heeft aangetrokken, zodat een afschrikwekkende boete gepast is. Mogelijk zal in bezwaar enige matiging van de boetehoogte moeten plaatsvinden, maar dat betekent niet dat tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden overgegaan. Verzoekster kan een betalingsregeling treffen die bestaat uit twaalf maandelijkse aflossingstermijnen. Van een zodanig gebrek aan draagkracht dat verzoekster door betaling van de maandelijkse aflossingstermijn(en) tot aan het nemen van het besluit op bezwaar failliet dreigt te gaan, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
10. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 december 2020.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Bijlage
De Algemene wet bestuursrecht luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Artikel 6:16
Het bezwaar of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Artikel 5:46
(…)
3 Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
(…)”
De Tabaks- en rookwarenwet luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aanverwant product: elektronische dampwaar en voor roken bestemd kruidenproduct;
(…)
elektronische dampwaar: elektronische sigaret, navulverpakking, elektronische sigaret zonder nicotine, navulverpakking zonder nicotine en patroon zonder nicotine;
(…)
reclame: elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van reclame waarmee, zonder het tabaksproduct of aanverwant product rechtstreeks te noemen, wordt getracht het reclameverbod te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk, symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct of aanverwant product;
(…)
Artikel 5 (tekst vanaf 1 januari 2020)
1. Elke vorm van reclame of sponsoring is verboden.
(…)
3. Onder dit verbod wordt eveneens begrepen het tonen van te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten aan het zicht worden onttrokken, en kan worden bepaald dat dit verbod niet geldt voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante producten.
(…)
6. Het eerste lid geldt evenmin voor:
a. commerciële mededelingen in de pers en andere gedrukte publicaties, alsmede in diensten van de informatiemaatschappij, die de aanprijzing van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg hebben, en die:
1°. uitsluitend bestemd zijn voor personen die werkzaam zijn in de handel in tabaksproducten of aanverwante producten; of
2°. worden gedrukt en uitgegeven in, dan wel worden verleend vanuit landen buiten de Europese Economische Ruimte, mits deze niet hoofdzakelijk voor landen binnen de Europese Economische Ruimte bestemd zijn;
b. uitsluitend voor de koper van tabaksproducten of aanverwante producten bestemde reclame in een speciaalzaak of aan de voorgevel daarvan, dan wel in een met een afsluitbare eigen toegang duidelijk afgescheiden verkooppunt van tabaksproducten of aanverwante producten in een levensmiddelenzaak of een warenhuis, mits de reclame niet op minderjarigen is gericht en:
1°. aan de voorgevel van een speciaalzaak in totaal niet meer dan 2m2 beslaat;
2°. voor zover aanwezig in een afgescheiden verkooppunt van tabaksproducten of aanverwante producten in een levensmiddelenzaak of een warenhuis alleen is bevestigd aan, op, in of tegen het gedeelte van de besloten ruimte dat bestemd is voor de presentatie van tabaksproducten of aanverwante producten en uitsluitend is gericht op personen die in het verkooppunt zelf aanwezig zijn;
3°. voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen regels.
(…)
Artikel 5 (tekst tot 1 januari 2020)
1. Elke vorm van reclame of sponsoring is verboden.
(…)
5. Het eerste lid geldt evenmin voor:
a. commerciële mededelingen in de pers en andere gedrukte publicaties, alsmede in diensten van de informatiemaatschappij, die de aanprijzing van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg hebben, en die:
1°. uitsluitend bestemd zijn voor personen die werkzaam zijn in de handel in tabaksproducten of aanverwante producten; of
2°. worden gedrukt en uitgegeven in, dan wel worden verleend vanuit landen buiten de Europese Economische Ruimte, mits deze niet hoofdzakelijk voor landen binnen de Europese Economische Ruimte bestemd zijn;
b. de reguliere presentatie van te koop aangeboden tabaksproducten of aanverwante producten door middel van het tonen daarvan in een gesloten verpakking tegen een neutrale achtergrond en de normale prijsaanduiding daarvan in verkooppunten van tabaksproducten of aanverwante producten, met dien verstande dat de eis van gesloten verpakking niet geldt voor sigaar, pijptabak en pruimtabak in een speciaalzaak;
c. uitsluitend voor de koper van tabaksproducten of aanverwante producten bestemde reclame in een speciaalzaak of aan de voorgevel daarvan, dan wel in een met een afsluitbare eigen toegang duidelijk afgescheiden verkooppunt van tabaksproducten of aanverwante producten in een levensmiddelenzaak of een warenhuis, mits de reclame niet op minderjarigen is gericht en:
1°. aan de voorgevel van een speciaalzaak in totaal niet meer dan 2m2 beslaat;
2°. voor zover aanwezig in een afgescheiden verkooppunt van tabaksproducten of aanverwante producten in een levensmiddelenzaak of een warenhuis alleen is bevestigd aan, op, in of tegen het gedeelte van de besloten ruimte dat bestemd is voor de presentatie van tabaksproducten of aanverwante producten en uitsluitend is gericht op personen die in het verkooppunt zelf aanwezig zijn;
3°. voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen voorschriften.
(…)
Artikel 11b
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 3a, 3b, 3c, 3e, 4, 5, 5a, 7, 8, 9, 9a, 10, 17a of 18.
2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste:
a. € 450.000 bedraagt wegens overtreding van artikel 5 of 5a, indien die overtreding is begaan door een fabrikant, groothandel of importeur van tabaksproducten, elektronische sigaretten of navulverpakkingen;
b. een bedrag bedraagt dat gelijk is aan een geldboete van de vierde categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wegens een overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 of 10;
c. € 4.500 bedraagt in andere dan de onder a en b bedoelde gevallen.
(…)
Bijlage
Categorie A
Onder categorie A vallen de overtredingen van het bepaalde bij of krachtens:
(…)
– Artikel 5, eerste lid, door anderen dan fabrikanten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten, elektronische sigaretten of navulverpakkingen;
(…)
Overtredingen behorend tot categorie A worden bestraft met een bestuurlijke boete van € 450. Dit bedrag wordt verhoogd tot:
– € 1.350 indien de natuurlijke persoon aan wie of de rechtspersoon waaraan de overtreding kan worden toegerekend voor een soortgelijke overtreding eerder is beboet en er nog geen twee jaar zijn verlopen sinds die eerdere bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden;
– € 2.250 indien binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de derde maal wordt begaan; en
– € 4.500 indien binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de vierde maal wordt begaan.
Categorie B
Onder categorie B vallen overtredingen door fabrikanten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten, elektronische sigaretten of navulverpakkingen van het bepaalde bij:
– Artikel 5, eerste lid;
(…)
Overtredingen behorend tot categorie B worden bestraft met een bestuurlijke boete van € 45.000. Dit bedrag wordt verhoogd tot:
– € 135.000 indien de natuurlijke persoon aan wie of de rechtspersoon waaraan de overtreding kan worden toegerekend voor een soortgelijke overtreding eerder is beboet en er nog geen twee jaar zijn verlopen sinds die eerdere bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden;
– € 225.000 indien binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de derde maal wordt begaan; en
– € 450.000 indien binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de vierde maal wordt begaan.”
Het Tabaks- en rookwarenbesluit luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Artikel 5.9
1. Het in artikel 5, derde lid, van de Tabaks- en rookwarenwet bedoelde verbod om te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten te tonen, geldt niet in een speciaalzaak:
a. die slechts tabaksproducten, aanverwante producten, daarbij behorende accessoires zoals aanstekers, vloeipapier en andere toebehoren die bedoeld zijn voor gebruik in samenhang met tabaksproducten en aanverwante producten, deelnamebewijzen aan kansspelen als bedoeld in de artikelen 3, 8, 14a, 15, 23 en 27a van de Wet op de kansspelen, of dagbladen in de handel brengt;
b. waarbij de te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten niet van buiten de speciaalzaak zichtbaar zijn; en
c. die bij Onze Minister is geregistreerd als zodanige speciaalzaak.
2. Het in artikel 5, derde lid, van de Tabaks- en rookwarenwet bedoelde verbod om te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten te tonen, geldt ook niet in een speciaalzaak:
a. die over een boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari een netto-omzet had van niet meer dan € 700.000;
b. waarvan de omzet in die boekjaren voor minimaal 75 % wordt behaald uit de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten;
c. die over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2020 en daarna ieder vijfde jaar een omzetoverzicht kan overleggen dat is voorzien van samenstellingsverklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep, waaruit blijkt dat de onder a en b bedoelde omzet over het betreffende boekjaar is behaald, uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar;
d. waarbij de te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten niet van buiten de speciaalzaak zichtbaar zijn;
e. die voor 1 januari 2019 staat ingeschreven in het handelsregister; en
f. die voor 1 januari 2021 bij Onze Minister op naam van een of twee natuurlijke personen is geregistreerd als zodanige speciaalzaak.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een speciaalzaak die een onderdeel van een andere winkel is, of waarin een ander verkooppunt is gevestigd.
Artikel 5.10
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld aan de wijze waarop tabaksproducten en aanverwante producten aan het zicht worden onttrokken, de wijze waarop de registratie, bedoeld in artikel 5.9, plaatsvindt en de gegevens en bescheiden die daarbij worden verstrekt.”
De Tabaks- en rookwarenregeling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“Artikel 6.7
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.9 van het besluit worden te koop aangeboden tabaksproducten en aanverwante producten geheel aan het zicht onttrokken. Kleuren en contouren van deze producten zijn niet zichtbaar.
2. Tabaksproducten en aanverwante producten die worden aangeboden voor binnenlandse verkoop op afstand of buitenlandse verkoop op afstand aan een consument die zich in Nederland bevindt, worden slechts door middel van een neutrale en sobere beschrijving en zonder afbeelding aangeduid.”