Civiel recht overig

Jeugdrecht. Verzoek uithuisplaatsing in verband met overgewicht minderjarige. Behandeling met zes maanden…

Rechtbank Rotterdam, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
15 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/712722 / JE RK 26-7
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10140
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdrecht. Verzoek uithuisplaatsing in verband met overgewicht minderjarige. Behandeling met zes maanden aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/712722 / JE RK 26-7

Datum uitspraak: 7 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. R. Tetteroo, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de briefrapportage van de GI met bijlage van 22 mei 2026, ontvangen op
22 mei 2026.

1.2.

Op 7 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder en haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [persoon A] en [persoon B] .

1.3.

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van de tolk, S.M.R. Desbarida.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

1.4.

Bijzondere toegang is verleend aan [naam oma mz] , oma mz.

1.5.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

2.2.

[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder. [voornaam minderjarige] en de moeder worden begeleid door ASVZ.

2.3.

Bij beschikking van 25 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 15 maart 2027 en is de behandeling ten aanzien van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] pro forma aangehouden tot
1 juni 2026.

3 Het (aangehouden) verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Er moet nog worden beslist over het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een jaar.

4 De standpunten

4.1.

De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het is een complexe zaak. Er zijn nog steeds zorgen over het aanzienlijke overgewicht van [voornaam minderjarige] . Momenteel valt het pesten volgens school mee en doet [voornaam minderjarige] goed mee op de groep, als hij er is. Het lukt de moeder onvoldoende om de schriftelijke aanwijzing (SA) op te volgen en om de zorgen weg te nemen. [voornaam minderjarige] is veel afwezig op school. De afspraken met de diëtiste zijn niet doorgegaan. Het is zorgelijk dat de moeder en oma mz aan [voornaam minderjarige] hebben verteld dat als hij bepaalde uitspraken doet dat hij dan uit huis geplaatst zal worden. De moeder moet de in de SA vermelde voorwaarden nakomen. Daarbij kan de GI een bewegingscoach voor [voornaam minderjarige] inzetten en onderzoeken of Cultuur en Zorg beter bij de moeder kan aansluiten. Ook is een eigen bed voor [voornaam minderjarige] belangrijk. De GI staat ervoor open om in de woning van de moeder de mogelijkheden hiervan te bekijken en of een beroep kan worden gedaan op een fonds bij de gemeente.

4.2.

Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting het volgende aangevoerd.

Tijdens de laatste zitting zijn de GI en de moeder de in de SA vermelde voorwaarden overeengekomen. De moeder ervaart dat zij uitsluitend wordt gecontroleerd, dat zij geen hulp krijgt en dat zij er alleen voor staat. De moeder begrijpt onvoldoende waarom begeleiding van ASVZ bij haar thuis nodig is. Zij heeft daarbij bijstand van een tolk nodig. De zorg is geheel aan ASVZ uitbesteed terwijl de GI daarin een grotere rol kan spelen. De noodzaak om bepaalde zaken na te moeten komen, lijkt de moeder niet geheel duidelijk te zijn. Er is één afspraak bij de diëtiste niet doorgegaan. Het is de vraag of het mogelijk is dat ASVZ met de moeder en [voornaam minderjarige] mee kan gaan naar de afspraken bij de diëtiste en of de kosten van een bed en een bewegingscoach vergoed kunnen worden. De moeder gaat met [voornaam minderjarige] regelmatig naar de huisarts. Op 4 juni 2026 woog hij 85 kilo en was zijn BMI 39.3. Het gewicht van [voornaam minderjarige] lijkt enigszins te stabiliseren. De moeder wil het liefst dat [voornaam minderjarige] afvalt. De obesitas van [voornaam minderjarige] is echter volgens de huisarts een complex probleem.

4.3.

In aanvulling op het betoog van haar advocaat heeft de moeder ter zitting verklaard dat er telefonische afspraken met de diëtiste hebben plaatsgevonden. Desgevraagd heeft de moeder verklaard dat zij wil meewerken aan de in de SA vermelde voorwaarden, ook als dat betekent dat er meegekeken wordt met het gezin bij het eten.

5 De beoordeling

5.1.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Zo heeft [voornaam minderjarige] ernstig overgewicht waardoor hij op school is gepest en komt hij regelmatig te laat op school. Ondanks de ingezette hulpverlening is de situatie onvoldoende verbeterd. Daarom heeft de GI vanwege de zorgen een machtiging tot uithuisplaatsing verzocht.

5.2.

Naar het oordeel van de kinderrechter is een uithuisplaatsing een uiterst en ingrijpend middel dat uitsluitend kan worden ingezet als alle andere middelen hebben gefaald. Het is daarbij ook de vraag of het complexe probleem van overgewicht bij [voornaam minderjarige] met/tijdens een uithuisplaatsing kan worden verholpen. Ook bij een eventuele uithuisplaatsing is het een reële mogelijkheid dat [voornaam minderjarige] door zijn overgewicht gepest zal worden, met name op school en op straat. Het is maar de vraag of hij in een vreemde omgeving zodanig zal gedijen dat zijn gewicht in substantiële mate zal dalen. Daar komt bij dat als [voornaam minderjarige] tijdens een uithuisplaatsing al gewicht zou verliezen en hij vervolgens bij de moeder zou worden teruggeplaatst, het risico bestaat op een terugval, dus een gewichtstoename bij [voornaam minderjarige] . In de periode dat [voornaam minderjarige] niet thuis is, zal de moeder naar verwachting niet beter leren hoe ze [voornaam minderjarige] kan helpen en aansturen. Ook houdt de kinderrechter er rekening mee dat tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat de GI nog geen passende plek voor [voornaam minderjarige] heeft gevonden en dat onduidelijk is op welke termijn deze plek voor hem wel beschikbaar zal zijn.

5.3.

De kinderrechter onderschrijft wel het belang dat de moeder de in de SA vermelde voorwaarden moet nakomen. De moeder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij hiertoe bereid is. Daarbij acht de kinderrechter het ook van belang dat de moeder ter ondersteuning aanvullende hulpverlening en begeleiding zal krijgen en dat door de GI wordt onderzocht of via de gemeente een financiële vergoeding mogelijk is, zoals voor de aanschaf van een bed en een bewegingscoach voor [voornaam minderjarige] , zoals door de GI ter zitting is toegezegd. De kinderrechter verzoekt de GI bovendien om in adequate mate gebruik te maken van een tolk in het contact met moeder en om gebruik te maken van het aanbod van de advocaat van de moeder om bij eventuele problemen aanspreekpunt te zijn.

5.4.

Gelet op al het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om het resterende deel van het verzoek opnieuw aan te houden tot de hierna vermelde zittingsdatum, die de kinderrechter met partijen tijdens de zitting heeft afgesproken.

5.5.

De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de hierna vermelde zittingsdatum de kinderrechter in een briefrapportage te informeren over de stand van zaken en om gemotiveerd aan te geven of het verzoek ten aanzien van een machtiging uithuisplaatsing al dan niet wordt gehandhaafd en een afschrift daarvan te verstrekken aan de moeder en de advocaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

houdt de behandeling van het verzoek ten aanzien van een machtiging tot uithuisplaatsing aan.

En alvorens verder te beslissen:

6.2.

roept de GI, de moeder en de advocaat op voor de zitting van mr. N. Doorduijn op 1 december 2026 om 14:00 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, aan Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam;

6.3.

bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;

6.4.

vraagt de griffier om [voornaam minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.

6.5.

Verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de vermelde zittingsdatum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen en een afschrift daarvan te verstrekken aan de moeder en de advocaat.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door
mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.