Civiel recht overig

Verlenging ots + muhp en afwijzing van het overige i.v.m. meerderjarigheid

Rechtbank Rotterdam, 12 februari 2026

Zaakgegevens

Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
12 februari 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/712582 / JE RK 25-2708
Procedure
Beschikking
Advocaat
mr. J.A Smits, mr. D.M.N Metry
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10347
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging ots + muhp en afwijzing van het overige i.v.m. meerderjarigheid

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/712582 / JE RK 25-2708

Datum uitspraak: 12 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. J.A. Smits, kantoorhoudende te Rotterdam,

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. D.M.N. Metry, kantoorhoudende te Barneveld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 27 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 1 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum;

  • de brief van de GI, overhandigd en voorgedragen ter zitting op 12 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;

  • de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij hun vader.

2.3.

Bij beschikking van 27 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 27 augustus 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader met gezag verleend tot 27 augustus 2026. Het overig verzochte is aangehouden.

3 Het aangehouden verzoek

3.1.

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI heeft ook verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader met gezag te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Bij beschikking van 27 januari 2026 is al beslist op de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 27 augustus 2026. [minderjarige 1] wordt op [geboortedatum 1] 2026 meerderjarig. Voor haar moet het resterende deel van het verzoek worden afgewezen. Er resteert nog een beslissing over de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 7 februari 2027 en zijn machtiging tot uithuisplaatsing tot 27 januari 2027.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het aangehouden verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en licht het als volgt toe. Het is de afgelopen periode niet gelukt om de begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] verder uit te breiden, mede door de volle agenda’s van alle betrokken partijen en de weerstand van de vader. Hierdoor is op dit moment onvoldoende duidelijk of een terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder wel of niet haalbaar is. De GI wil dit daarom op een andere manier onderzoeken. Het idee is om met de inzet van Zoeklicht een afgebakende proefperiode te benutten, waarin de moeder de dagelijkse verantwoordelijkheid voor [minderjarige 2] weer oppakt en wordt gekeken hoe beide ouders hiermee omgaan. De GI maakt zich wel zorgen om het feit dat, wanneer [minderjarige 2] weer (deels) bij de moeder kan gaan wonen, de vader zijn verantwoordelijkheid over [minderjarige 2] los laat. De vader blijft als gezaghebbende ouder altijd mede verantwoordelijk voor [minderjarige 2] en hierover dienen duidelijke afspraken te worden gemaakt.

4.2.

Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De moeder zou het liefst weer voor [minderjarige 2] zorgen. Zij zit beter in haar vel en is ervan overtuigd dat zij [minderjarige 2] weer kan bieden wat hij nodig heeft. De moeder realiseert zich dat hiertoe de communicatie tussen de ouders moet verbeteren en dat duidelijke afspraken moeten worden gemaakt. Het idee van de GI om met Zoeklicht een proefperiode te benutten is hierbij passend. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] hoeft dan niet perse te worden verlengd. Wel dient de vader betrokken te blijven, ook bij een terugplaatsing van [minderjarige 2].

4.3.

Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De vader heeft de afgelopen periode erg zijn best gedaan om alles voor [minderjarige 2], maar ook voor [minderjarige 1], goed te regelen. [minderjarige 2] gaat weer naar school en de vader geeft hem thuis de juiste begeleiding. De vader vindt het goed als [minderjarige 2] weer bij de moeder gaat wonen, maar staat niet open voor een regeling waarbij [minderjarige 2] deels bij hem en deels bij de moeder woont. De communicatie tussen de ouders is niet verbeterd, de ouders hanteren een totaal verschillende opvoedstijl en het is voor de vader (gelet op zijn werk) niet mogelijk om zijn tijd deels voor [minderjarige 2] vrij te houden. Het idee van de GI om met Zoeklicht een proefperiode te benutten is passend. [minderjarige 2] kan dan na een paar weken beslissen bij wie hij wil wonen.

5 De beoordeling

Ten aanzien van [minderjarige 1]

5.1.

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] zijn bij beschikking van 27 januari 2026 al verlengd tot aan haar meerderjarigheid. Het overige deel van het verzoek van de GI dient daarom ten aanzien van [minderjarige 1] te worden afgewezen.

Ten aanzien van [minderjarige 2]

5.2.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat nog steeds sprake is van strijd en non-samenwerking tussen de ouders. [minderjarige 2] bevindt zich hier tussen, waardoor hij sterk in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ondertoezichtstelling zal daarom worden verlengd, zodat de GI de regie kan nemen om enige vorm van communicatie en samenwerking tussen de ouders tot stand te brengen en de voortgang daarvan te bewaken.

5.3.

Het is nog niet duidelijk waar [minderjarige 2] het beste kan opgroeien. Daarbij speelt een rol dat [minderjarige 1] na haar achttiende verjaardag bij de moeder wil gaan wonen, wat voor de moeder al aanzienlijke veranderingen en meer verantwoordelijkheden met zich mee zal brengen. Het is de vraag of de moeder daarbij ook de dagelijkse verantwoordelijkheid voor [minderjarige 2] kan dragen, temeer nu de vader ter zitting heeft laten blijken dat hij zijn handen van [minderjarige 2] aftrekt als hij weer bij zijn moeder gaat wonen. Dat zou volgens de vader alleen anders zijn als [minderjarige 2] een korte tevoren afgesproken proefperiode bij zijn moeder zou zijn en [minderjarige 2] er daarna voor zou kiezen om bij de vader te gaan wonen. Dat is echter een keuze die niet aan [minderjarige 2] is, maar aan zijn ouders in samenwerking met de GI. Het is van belang dat de aankomende periode verder wordt onderzocht waar [minderjarige 2] de komende tijd het best kan opgroeien. Als [minderjarige 2] bij de vader blijft behoort hij – binnen in redelijkheid te stellen grenzen - meer vrijheid te hebben om zijn moeder op te zoeken. Als de moeder de dagelijkse zorg voor [minderjarige 2] aan blijkt te kunnen, is van belang dat de vader betrokken blijft en zijn verantwoordelijkheid neemt. In beide situaties is van groot belang dat de communicatie tussen ouders verbetert en de vader zich niet langer onttrekt aan de samenwerking met de GI en de moeder.

5.4.

[minderjarige 2] heeft zich de afgelopen periode bij de vader goed ontwikkeld. Het is de vader gelukt om hem weer te motiveren voor school en de vader heeft een geschikte school voor hem geregeld. Daarvoor verdient de vader waardering. Nu nog onduidelijk is waar [minderjarige 2] moet gaan opgroeien is het voor de komende periode in zijn belang dat hij bij de vader blijft, zodat deze opgaande lijn voortgezet kan worden. De machtiging uithuisplaatsing bij de vader zal daarom eveneens worden verlengd. Het staat de GI en de ouders vrij om binnen deze verlenging [minderjarige 2] een periode ‘op proef’ bij de moeder te laten wonen.

5.5.

Het is van belang dat de GI zich inzet om voldoende begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] te faciliteren om een goed beeld te krijgen van hoe de relatie tussen hen is en of de moeder [minderjarige 2] voldoende kan steunen en begrenzen. Daarnaast dient er voor [minderjarige 2] ruimte te zijn voor vrijere, onbegeleide omgang met de moeder. Hierover dienen, met duidelijke sturing vanuit de GI, heldere afspraken te worden gemaakt. De kinderrechter merkt op dat beide ouders met gezag verantwoordelijk blijven voor de verzorging en de opvoeding van [minderjarige 2], ongeacht waar hij uiteindelijk gaat wonen.

5.6.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter verlengt de maatregelen ten aanzien van [minderjarige 2] daarom tot 27 januari 2027.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.


6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 27 januari 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader met gezag tot 27 januari 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of ander verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 19 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.