Civiel recht overig
Niet tijdige betaling griffierecht. Geen grond voor toepassing hardheidsclausule
Rechtbank Rotterdam, 9 september 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:6759 · Rechtbank Rotterdam · 9 september 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2015-6759
Zaakgegevens
Op 9 september 2015 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 september 2015
- Datum publicatie
- 22 september 2015
- Zaaknummer
- C/10/480268 / HA ZA 15-750
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2015:6759
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet tijdige betaling griffierecht. Geen grond voor toepassing hardheidsclausule
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/480268 / HA ZA 15-750
484143 / KG ZA 15-982
Vonnis van 9 september 2015
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VENOUR B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. H.E. Eelkman Rooda.
Partijen zullen hierna Venour en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding, tevens houdende een provisionele vordering ex artikel 223 Rv;
-
de akte van Venour.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Op grond van artikel 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.
Deze zaak diende voor het eerst op 15 juli 2015. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van Venour pas op 18 augustus 2015 is ontvangen. Dat is dus te laat.
Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Bij akte heeft Venour aangevoerd dat zij haar bedrijfsvoering met name gericht heeft op de samenwerking met [gedaagde] en dat, omdat [gedaagde] de tussen partijen gesloten overeenkomst niet nakomt, in een slechte liquiditeitspositie verkeert. Om die reden heeft zij te laat betaald. Om deze reden zou ontslag van instantie van [gedaagde] leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, aldus Venour.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Zij wijst daartoe op het volgende.
Venour is als eiseres in deze procedure degene die het initiatief heeft genomen om de procedure te beginnen. Zeker nu Venour wordt bijgestaan door een advocaat, had van haar verwacht mogen worden dat zij tevoren rekening had gehouden met het gegeven dat zij binnen vier weken na het begin van de procedure het griffierecht moest voldoen. Dat is immers een vaste termijn die met zoveel woorden in de wet staat. Van Venour had dus verwacht mogen worden dat zij op tijd zou beschikken over de benodigde financiën om het griffierecht tijdig te betalen. Dat zij dat kennelijk niet heeft gedaan komt voor haar risico.
De rechtbank zal [gedaagde] dan ook overeenkomstig het uitgangspunt van de wet van de instantie ontslaan.
Gelet op het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv wordt Venour veroordeeld in de proceskosten, te begroten op € 285,-- aan griffierecht.