Civiel recht overig
Bevoegdheidsincident. Relatieve onbevoegdheid. Sinds de herziening gerechtelijke kaart maakt de locatie…
Rechtbank Rotterdam, 4 februari 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:748 · Rechtbank Rotterdam · 4 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2015-748
Zaakgegevens
Op 4 februari 2015 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 4 februari 2015
- Datum publicatie
- 5 februari 2015
- Zaaknummer
- C-10-458573 - HA ZA 14-905
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2015:748
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevoegdheidsincident. Relatieve onbevoegdheid. Sinds de herziening gerechtelijke kaart maakt de locatie Dordrecht deel uit van de Rechtbank Rotterdam met één civiele handelsrol. Het zaaksverdelingsreglement is een leidraad voor (interne) verdeling van zaken.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/458573 / HA ZA 14-905
Vonnis in incident van 4 februari 2015
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. D. Sprecher,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.G.G. de Bruin.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 24 juli 2014, met producties;
-
de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van 5 november 2014;
-
de incidentele conclusie van antwoord van 19 november 2014.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 Het geschil in het incident
[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en voert hiertoe – kort gezegd – volgende aan.
[gedaagde] verwijst naar punt 54 van de dagvaarding waarin door [eiser] de stelling wordt opgeworpen dat de onderhavige zaak ziet op bestuurdersaansprakelijkheid en dat in het zaaksverdelingsreglement van deze rechtbank is opgenomen dat voor dergelijke zaken de rechtbank Rotterdam als behandelingslocatie is aangewezen. [gedaagde] voert aan dat het voor hem onduidelijk is welke zaken het zaaksverdelingsreglement onder bestuurdersaansprakelijkheid verstaat. [gedaagde] begrijpt uit de dagvaarding dat [eiser] de grondslag van zijn vordering stoelt op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Vorderingen uit onrechtmatige daad vallen onder de categorie “alle overige civiele zaken boven de 25.000,- euro en hiervoor gelden de regels omtrent de competentie zoals vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [gedaagde] is weliswaar bestuurder van verschillende (gefailleerde) vennootschappen, maar van een vordering op grond van een specifiek in de wet geregelde bestuurdersaansprakelijkheid is geen sprake. Nu [eiser] zijn vorderingen baseert op een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens Van Giesbergen, is de rechtbank Rotterdam niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering, aldus [gedaagde].
[eiser] verzoekt de incidentele vordering van [gedaagde] af te wijzen. [eiser] voert hiertoe – kort gezegd – aan dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is op grond van artikel 99 Rv. Voorts voert hij aan dat de grondslag van de vordering inderdaad onrechtmatige daad is in de zin van artikel 6:162 BW. Echter ziet de onderhavige zaak wel degelijk op bestuurdersaansprakelijkheid. Indien een derde (niet zijnde een curator) een bestuurder persoonlijk aansprakelijk stelt voor de door hem geleden schade, dan is de wettelijke grondslag voor de aansprakelijkheid van de bestuurder jegens die derde altijd gelegen in artikel 6:162 BW. [gedaagde] wordt aangesproken als indirect bestuurder via artikel 2:11 BW. Ook wordt hij aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3 De beoordeling in het incident
De incidentele conclusie is tijdig en voor alle weren genomen. [gedaagde] is daarom ontvankelijk in het incident.
Ingevolge artikel 99 lid 1 Rv. is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde, tenzij de wet anders bepaalt. Niet in geschil is dat gedaagde, [gedaagde], woonachtig in Papendrecht en dat deze plaats behoort tot het arrondissement van Rechtbank Rotterdam. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] van mening is dat de zaak volgens het zaaksverdelingsreglement behandeld zal moeten worden bij de locatie Dordrecht van deze rechtbank.
Sinds de herziening van de gerechtelijke kaart maakt de locatie Dordrecht deel uit van de Rechtbank Rotterdam met één civiele handelsrol, zodat gesproken kan worden van één gerecht. Het zaaksverdelingsreglement is hierbij een leidraad voor de (interne) verdeling van zaken. Overigens ziet het zittingsreglement op de behandeling van zaken ter zitting. Het behandelen van een zaak op de ene locatie dan wel de andere locatie van deze rechtbank, kan niet leiden tot onbevoegdheid van deze rechtbank. Of in de onderhavige zaak sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid is hierbij dan ook niet van belang.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
4 De beslissing
De rechtbank
in het incident
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 452,00,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 maart 2015 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.
2130/1980