Civiel recht overig

Openen van de mogelijkheid van het instellen van tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking.

Rechtbank Rotterdam, 6 juni 2018

Zaakgegevens

Op 6 juni 2018 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 juni 2018
Datum publicatie
7 juni 2018
Zaaknummer
C/10/550949 / HA ZA 18-517
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2018:4467
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openen van de mogelijkheid van het instellen van tussentijds hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/550949 / HA ZA 18-517

Vonnis van 6 juni 2018

in de zaak van

de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M. Elmers te Brielle.

Partijen zullen hierna HDI en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 4 mei 2018, met producties;

  • de brief van 15 mei 2018 van mr. Haase;

  • de brief van 28 mei 2018 van mr. Elmers;

  • de beschikking van 21 maart 2018 van deze rechtbank, gewezen onder zaak-/rekestnummer C/10/537982 / HA RK 17-1012 (hierna: de deelgeschilbeschikking).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Bij de deelgeschilbeschikking heeft de rechtbank verklaard voor recht dat het causaal verband tussen de klachten en beperkingen van [gedaagde] - voor zover deze blijken uit de bevindingen van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] als gerelateerd onder r.o. 4.5 - en het ongeval van 1 februari 2010 als vaststaand moet worden aangenomen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat HDI enkele bedragen aan [gedaagde] dient te betalen.

2.2.

HDI heeft bij dagvaarding van 4 mei 2018 tegen 23 mei 2018 deze procedure tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt. Daarin vordert zij verklaringen voor recht en veroordeling van [gedaagde] om een door HDI aan hem betaald bedrag terug te betalen.

2.3.

HDI verzoekt bij brief van 15 mei 2018 van mr. Haase om verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking. HDI motiveert dit verzoek onder andere met de stelling dat door verlof te verlenen voor tussentijds hoger beroep wordt voorkomen dat partijen in de procedure ten principale (schriftelijke) debatten moeten voeren en (eventueel) tot kostbare bewijslevering over de omvang van de schade moeten overgaan, op basis van uitgangspunten die mogelijk niet door de hogere rechter worden gedeeld.

2.4.

HDI heeft medegedeeld dat zij in afwachting van de beslissing van de rechtbank op nader aan te voeren gronden hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking zal instellen bij het Hof Den Haag en dat de zaak daar zal worden aangebracht op 4 september 2018.

2.5.

[gedaagde] heeft bij brief van 28 mei 2018 van mr. Elmers medegedeeld dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de proces-economie is gediend met het verlenen van verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep. De rechtbank zal het verzoek van HDI derhalve toewijzen.

2.7.

In afwachting van de uitkomst van het hoger beroep zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden en deze procedure verwijzen naar de parkeerrol.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

opent de mogelijkheid van het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking;

3.2.

verwijst de zaak naar de parkeerrol van 3 oktober 2018;

3.3.

verstaat dat indien deze zaak in deze instantie wordt hervat/opgebracht, deze dient te worden verwezen naar de continuatierol voor conclusie van antwoord;

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2018.
[1729;2221]